Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

1. Decretale basis voor het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen. 

VCRO art. 2.1.1 tot 2.1.13; 2.2.3; 2.2.7; 2.212; 2.2.16; 2.2.18; 2.2.23 

Context: De opmaak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) als opvolger van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is in volle voorbereiding. De volgende stap is de voorlopige vaststelling (als ontwerp) van een BRV. Het wijzigingsdecreet creëert een decretale basis voor het nieuwe systeem van beleidsplanning. 

Beleidsplanning ambieert de volgende vernieuwingen: 

  • Het is strategisch: inspelend op lange termijnevoluties houdt elk beleidsniveau zich bezig met de op het betrokken schaalniveau belangrijkste ontwikkelings- en veranderingsopdrachten. 
  • Het is dynamisch: het kan omgaan met onzekerheid en verandering en inspelen op onverwachte gebeurtenissen of kansen die zich voordoen. De plannen worden gemonitord en regelmatig geëvalueerd en zo nodig herzien. 
  • Het is realisatiegericht: het is slagkrachtig en beleidskeuzes werken door op het terrein. 
  • Het systeem stelt samenwerking centraal, niet enkel tussen de verschillende beleidsdomeinen maar ook via partnerschappen van overheid met maatschappelijk middenveld, burgers, ondernemers, investeerders, .... Doel is om vanuit een primair ondersteunende rol maatschappelijke doelstellingen te verwezenlijken via geïntegreerde ruimtelijke ontwikkeling. 

Beleidsplanning zet daarom in op de ontwikkeling van een gemeenschappelijke ruimtelijk-maatschappelijke toekomstvisie die geoperationaliseerd wordt via onderhandelde ontwikkelingsprogramma’s. 

De vernieuwing van het systeem van beleidsplanning kadert binnen een ruimer verhaal van modernisering van het uitvoeringsgericht instrumentarium: 

  • behoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen als verordenende planfiguur, 
  • op punt stellen van inhoudsomschrijving en opmaakprocessen en –procedures (bijv. de integratie van effectbeoordelingen in planprocessen en het moderniseren van inspraakregelingen) 
  • actualiseren en aanvullen van andere instrumenten zoals financiële instrumenten, grondbeleidsinstrumenten e.d.m. 

De voorliggende decretale wijziging concentreert zich op de invoering van de planfiguur van de ruimtelijke beleidsplannen. 

De nieuwe planfiguur ‘Ruimtelijke Beleidsplannen’ 

Het beleidsplan is opgebouwd uit een strategische visie en een set van beleidskaders. De strategische visie omvat een toekomstbeeld en een overzicht van belangrijke beleidsopties op lange termijn (strategische doelstellingen). Beleidskaders zijn operationeel van aard en hebben een kortere looptijd. Ze functioneren als set maar kunnen in functie van maatschappelijke noden onafhankelijk van elkaar worden herzien en/of aangevuld. De vaststelling van een eerste beleidsplan met strategische visie en één of meer beleidskaders kan worden gevolgd door vaststelling van bijkomende beleidskaders. Beleidskaders kunnen apart worden herzien, zelfs opgeheven. Het ruimtelijk beleid kan zo flexibel inzetten op een selectieve set van belangrijkste beleidsonderwerpen. 

Het beleidsplan zal buiten het plan omkaderd zijn door onderzoeksrapporten, beleidsacties en monitorings- en evaluatierapporten. 

  • De onderzoeksrapporten geven een overzicht van het onderzoek en uitkomsten van het participatietraject die ten grondslag liggen aan de gemaakte beleidskeuzes. Het beschikbaar onderzoek vervangt als het ware het informatief gedeelte van een structuurplan maar zal omwille van hanteerbaarheid en het voortschrijdend inzicht slechts middels een beknopt overzicht of verwijzingen in het beleidsplan zelf opgenomen worden. 
  • De beleidsacties zijn een overzicht van engagementen van partners met uitspraken over effectief in te zetten middelen en instrumenten in een afgesproken tijdspad. De beleidsacties zijn een uitkomst van een samenwerkingstraject, maken het beleid realisatiegericht en tonen een weloverwogen set van instrumenten in functie van de beoogde operationele doelstellingen. De acties zijn realisatiegericht. 
  • De monitoring en evaluatierapporten geven een periodieke stand van zaken van de beleidsrealisatie met het oog op een eventuele bijsturing van de beleidsuitvoering of het beleidsplan zelf. Het systematische karakter van monitoring en evaluatie moet het verschil geven met de structuurplanning. 

Op 3 bestuursniveaus 

Het systeem van beleidsplanning voorziet in een ruimtelijk beleidsplan op Vlaams, provinciaal en (inter)gemeentelijk niveau. 

De beleidsplanning op provinciaal en gemeentelijk niveau volgt een analoge redenering als het BRV (strategische visie + beleidskaders) maar provincies en gemeenten krijgen voldoende vrijheidsgraden mede rekening houdend met de plancapaciteit en – noodwendigheid. 

Provincies en gemeenten hechten belang aan het ontwikkelen van een visie, ook op het eigen niveau. Het uitgangspunt blijft dan ook dat op alle bestuursniveaus beleidsplannen gemaakt worden, met telkens zowel een strategische visie als beleidskaders (zie ook hierboven). Belangrijk is wel dat er voldoende vrijheidsgraden zijn in de invulling van die onderdelen. Zo is het niet de bedoeling dat vb. via omzendbrief een vaste format wordt vastgelegd voor gemeentelijke plannen. Een gemeente kan vb. de strategische visie beknopt houden en zich vooral wijden aan beleidskaders die zich inpassen in het beleid dat uitgetekend is in het gewestelijk en provinciaal ruimtelijk beleidsplan. 

Zoals bij de structuurplanning tekenen de drie planningsniveaus een beleid uit voor de thema’s die best op het betrokken niveau aangepakt worden. Het Vlaams en het provinciaal ruimtelijk beleidsplan bevatten echter geen strikte taakstellingen voor de andere planningsniveaus. 

Opmaak van de beleidsplannen 

De beleidsplannen komen tot stand in een procedure die participatie en overleg garandeert, in elke fase van de opmaak. De provinciale en gemeentelijke beleidsplannen zijn niet onderworpen aan een goedkeuringstoezicht. De Vlaamse Regering kan bij de definitieve vaststelling van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen echter wel een voorbehoud formuleren bij één of meer specifieke opties. De deputatie kan dat ook ten aanzien van definitief vastgestelde gemeentelijke ruimtelijke beleidsplannen. 

Overgang van structuurplannen naar ruimtelijke beleidsplannen 

Het wijzigingsdecreet bevat de nodige overgangsbepalingen om de overstap van ruimtelijke structuurplannen naar ruimtelijke beleidsplannen in goede banen te leiden en onduidelijkheid te vermijden. 

Onderzoek van verschillende mogelijke scenario’s op Vlaams niveau heeft uitgewezen dat een éénfasige overstap van het RSV naar het BRV verkieselijk is boven een gefaseerde vervanging. Bijgevolg moet een voldoende consistente set van strategische visie en beleidskaders voorliggen om het RSV te vervangen, onverminderd de mogelijkheid om daarna nog bijkomende beleidskaders vast te stellen. 

Ook op provinciaal en gemeentelijk niveau verdient een éénfasige overstap de voorkeur. Belangrijk is wel dat provincies en gemeenten verder kunnen werken in uitvoering van hun structuurplan tot ze de overstap maken naar een beleidsplan. Het wijzigingsdecreet bevat dus geen verplichting om vóór een bepaalde deadline een beleidsplan te maken.  

Het ruimtelijk structuurplan blijft op elk niveau sowieso doorwerken tot het vervangen wordt door een ruimtelijk beleidsplan. Tot twee jaar na inwerkingtreding van de decretale bepalingen over beleidsplanning, kunnen provincies en gemeenten nog een integrale herziening van hun ruimtelijk structuurplan doorvoeren. Daarna is nog éénmalig een gedeeltelijke herziening mogelijk. 

De Vlaamse Regering keurde op 30 maart 2018 het besluit goed met de uitvoeringsregels van ruimtelijke beleidsplannen. Hiermee wordt het nieuwe systeem van beleidsplanning geoperationaliseerd. Het besluit regelt het opmaakproces van de ruimtelijke beleidsplannen en de inwerkingtreding van de nieuwe decretale bepalingen over de beleidsplannen.


Terug