Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Nieuws

20.01.2014
Vlaamse Regering wijzigt vrijstellingen van stedenbouwkundige vergunning

Na advies van de Raad van State keurde de Vlaamse Regering op 17 januari 2014 het ontwerpbesluit goed dat het besluit van 16 juli 2010 wijzigt. Dat bepaalt de handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is.

 

De tekst van het wijzigingsbesluit vindt u hier. Hij moet nog in het BElgisch Staatsblad gepubliceerd worden.

 

Dit zijn de wijzigingen:

1 Wat betreft onroerend erfgoed.

Op 12 juli 2013 heeft de Vlaamse Regering het decreet betreffende het onroerend erfgoed bekrachtigd en afgekondigd (Belgisch Staatsblad, 17 oktober 2013).
Hierdoor dringen zich enkele tekstcorrecties in het besluit op.
Dit betreft de verwijzing naar de regelgeving inzake onroerend erfgoed.

2 Wat betreft handelingen in, aan en bij woningen.

De plaatsing van van het hoofdgebouw vrijstaande niet voor verblijf bestemde bijgebouwen is vrijgesteld tot op of tegen de perceelsgrens als de bijgebouwen tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht worden tegen een bestaande scheidingsmuur.

Voor niet-overdekte constructies geldt deze vrijstelling niet. Dit wordt momenteel voorzien, waardoor een vergunning voor deze constructies niet langer nodig is, zover deze worden geplaatst op minstens 1 meter van de perceelsgrenzen of tot tegen een bestaande scheidingsmuur op de perceelsgrens.

Tot 2010 waren bijgebouwen vrijgesteld tot max. 2,5m kroonlijsthoogte en max. 3m nokhoogte. De huidige tekst van het besluit moet gelezen worden als maximale hoogte (= nokhoogte), dus identiek aan vorige regeling. Dit is goed om constructies met plat dak tot 3m vrij te stellen (waar dit vroeger 2,5m hoogte was), maar voor constructies (tot 40m²) met een hellend dak is dit te laag. Daarom wordt deze maat verhoogd tot 3,5m.

3 Wat betreft handelingen die vrijgesteld worden in parkgebied.

3.1 Handelingen in, aan en bij woningen
Op grond van artikel 4.4.12 e.v. van de VCRO genieten zonevreemde woningen in parkgebied van dezelfde decretale basisrechten (verbouwen, herbouwen en uitbreiden) als zonevreemde woningen buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied. Dit betekent dat zij – mits de noodzakelijke vergunningen – kunnen herbouwd en uitgebreid worden tot 1.000 m³.
Het is niet logisch dat deze woningen voor wat de vrijgestelde handelingen betreft, strenger behandeld worden. Op vandaag zijn volgende handelingen in, aan en bij woningen in parkgebied immers niet vrijgesteld:
- maximaal 80 m² niet-overdekte constructies (verhardingen, zwembaden, tuinvijvers, …),
- maximaal 40 m² bijgebouwen (tuinhuizen, carports,…),
- maximaal 10 m³ opslag van materialen (zoals brandhout) en
- plaatsing van 1 woonwagen (of kampeerwagen, tent,…) bij woningen.

Deze constructies hebben – gelet op de randvoorwaarden opgenomen in het Vrijstellingenbesluit – een minimale ruimtelijke impact die de natuurwaarde of landschappelijke waarde van de parkgebieden geenszins in het gedrang brengt. We stellen daarom voor om dergelijke constructies, die behoren tot de normale inrichting van de huiskavel, ook in parkgebieden vrij te stellen van stedenbouwkundige vergunning. De andere randvoorwaarden (o.a. binnen de 30m van de woning) blijven uiteraard ook van toepassing voor huiskavels in parkgebieden.

3.2 Tijdelijke handelingen
Tijdelijke constructies zijn in gebieden met hoge natuurwaarden niet zonder vergunning toegelaten omdat ze deze natuurwaarden sterk zouden kunnen schaden.

Parkgebieden vervullen naast hun natuurwaarden vaak ook een recreatieve functie of een landschappelijke waarde. Ze dienen conform het gewestplanvoorschrift ook hun sociale functie te vervullen (KB 28 december 1972). Het zonder vergunning toestaan van tijdelijke constructies in het licht van die sociaal-recreatieve functie is verdedigbaar. Voor zover het gaat om een tijdelijke plaatsing van constructies, die door hun aard of beperking in de tijd geen afbreuk doen aan de goede ruimtelijke ordening en de algemene bestemming van het (park)gebied niet in het gedrang brengen, kunnen deze ook in parkgebieden vrijgesteld worden van stedenbouwkundige vergunning. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om de tijdelijke plaatsing van tenten, stellingen, tribunes en andere constructies voor de organisatie van een muziekfestival, een sportmanifestatie, een wijkkermis, een wandeltocht, … Een verruiming van de mogelijkheden van artikel 7.3 is aanvaardbaar gezien de sociaal-recreatieve functie van dergelijke parkgebieden. Gelet op de ecologische waarde van parkgebieden mag dit echter geen negatief effect hebben op het gebied. Het is dan ook aangewezen bijkomende randvoorwaarden op te nemen om de ecologische waarde te garanderen.

Aanzienlijke reliëfwijzigingen voor de organisatie van sportmanifestaties (bv. lawaaisporten) kunnen evenwel een aanzienlijke impact hebben op het parkgebied, zodat een verruiming van deze mogelijkheden (zoals geboden via art. 7.4) niet gewenst is.

Uiteraard moet opgemerkt worden dat de afschaffing van de voorafgaandelijke stedenbouwkundige vergunning voor deze gevallen geen afbreuk doet aan de natuurvergunningsplicht. Die blijft (in voorkomend geval) onverminderd bestaan. De toevoeging van de voorwaarde dat de plaatsing niet gepaard gaat met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen is naar analogie met artikel 8.2, 6° van het vrijstellingenbesluit.

Het gaat om in wezen verplaatsbare constructies, die door hun tijdelijke plaatsing in het gebied de algemene bestemming niet in het gedrang brengen (“opstallen”).
De constructies kunnen aan de grond bevestigd worden ifv stabiliteit en veiligheid.
Voorbeelden zijn o.a.
- Het plaatsen van kramen, stellingen, tribunes, tenten en gelijkaardige infrastructuur in functie van festivals, manifestaties of feestelijkheden,
- Het plaatsen van kantoorcontainers, klascontainers e.d.,
- Het plaatsen van een circustent of kermis,
- Het plaatsen van terrassen bij vergunde horecazaken.

Het gaat dus niet om verhardingen, betonfunderingen, reliëfwijzigingen, vijvers…

3.3 Wijzigingen van al ingerichte terreinen
De bepaling rond de vrijstelling van handelingen in reeds ingerichte terreinen is onlogisch. Huidig vrijstellingenbesluit bepaalt uitdrukkelijk dat de herinrichting van openbare parkgebieden onder deze vrijstelling valt (artikel 8.1, 2°). Doordat even verderop in de tekst de vrijstelling wordt uitgesloten in ruimtelijk kwetsbaar gebied (artikel 8.2, 5°), is de vrijstelling in parkgebied volledig onwerkzaam. Deze contradictie dient te worden rechtgezet. Ook hier blijft de natuurvergunningsplicht en de zorgplicht voor de overheid onverminderd van toepassing.

4 Wat betreft handelingen in agrarisch gebied en met agrarisch karakter.

Hoofdstuk 5 (momenteel ‘Handelingen in agrarisch gebied’ getiteld) wordt integraal herschreven.

Artikel 5 van het huidige vrijstellingenbesluit stelt een aantal landbouwconstructies vrij van vergunning, doch enkel in agrarisch gebied. Nochtans komt landbouw ook voor in andere gebieden en wordt deze activiteit soms uitdrukkelijk toegelaten (in bv. woongebieden of gemengd openruimtegebied). In bepaalde bestemmingsgebieden wordt landbouw ook toegelaten in afwachting van de realisatie van die bestemmingen.

Bepaalde handelingen in functie van beroeps- en hobbylandbouw zijn momenteel buiten agrarisch gebied niet vrijgesteld van vergunning (plastiekserres, schuilhokken en afsluitingen voor dieren). Echter, ook in die gebieden zouden deze werken moeten kunnen vrijgesteld zijn (tenzij in ruimtelijk kwetsbaar gebied maar wél in parkgebieden, nieuw artikel 5.1). De meer ingrijpende handelingen blijven beperkt tot agrarisch gebieden (nieuw artikel 5.2).

Een beperkte toevoeging wordt doorgevoerd bij schuilhokken: kleine houten schuilhokken worden overal toegelaten op onbebouwde percelen.

Ook jachtkansels worden vrijgesteld van vergunning. In bos/natuurgebied kan dit vergund worden op basis van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 (dat de gewestplanvoorschriften omvat) (“hutten voor vis en jacht”), maar niet in agrarische gebieden. Nochtans wordt in deze gebieden ook gejaagd, om schade aan de gewassen te beperken. Een jachtkansel is ieder platform of gelijk welke verheven zitplaats, die het mogelijk maakt het wild te schieten vanaf een punt gelegen boven het normaal niveau van de grond. Wordt gelijkgesteld met een jachtkansel iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al of niet ingerichte bomen, die daartoe gebruikt wordt. Door de voorgestelde wijziging zijn jachtkansels nu ook van vergunning vrijgesteld in agrarisch gebied in de ruime zin.

5 Wat betreft mobiele constructies.

5.1 Mobiele openluchtrecreatieve verblijven
Deze toevoeging komt tegemoet aan de problematiek dat voor elke plaatsing (verplaatsing, …) van een stacaravan op een vergund recreatief terrein een aparte stedenbouwkundige vergunning vereist is (artikel 4.2.1, VCRO).
Voor de formulering van deze vrijstelling wordt verwezen naar een aantal bestaande regelingen:
- het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
- het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristisch logies.

Er wordt bepaald dat de verblijven worden geplaatst moeten worden op vergunde openluchtrecreatieve terreinen in de zin van artikel 2, 10° van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies om van de vrijstelling te genieten. Bovendien dienen ze te voldoen aan de voorwaarden van deze vergunning.

Dat zijn echter niet de enige voorwaarden waaraan de constructies moeten voldoen om van de vrijstelling te genieten. Bijkomend is het zo dat:
- De plaatsing niet in strijd mag zijn met de gewestelijke verordening weekendverblijven;
- De plaatsing ook niet strijdig mag zijn met de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen
(zie art. 1.3 van het bestaande vrijstellingsbesluit dat deze voorwaarden bevat).

Als de stedenbouwkundige vergunning voor het terrein bijvoorbeeld een brandweg voorziet, moet deze verplichting gerespecteerd worden. De plaatsing van een stacaravan op deze brandweg is dus niet vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning.
Bovendien moet opgemerkt worden dat ook een gemeentelijk RUP de vrijstelling kan doorkruisen in toepassing van het algemene artikel 1.4 van het vrijstellingsbesluit.

Ook bepaalde toebehorende installaties worden van de vergunning vrijgesteld. Dit betreft de gebruikelijke toebehoren (de aanbouwen in de zin van artikel 9, 19°, c), 2), van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristisch logies) die niet zouden zijn geplaatst als er geen mobiel openluchtrecreatief verblijf was geplaatst en die niet gefundeerd of verankerd zijn in de grond. De voorwaarde dat de toebehoren niet gefundeerd of verankerd zijn in de grond wordt ingegeven vanuit de bekommernis dat deze constructies verwijderd moeten kunnen worden als het mobiel openluchtrecreatief verblijf zelf wordt verplaatst of verwijderd.

5.2 Woonwagens
Analoog aan de bepaling rond mobiele openluchtrecreatieve verblijven wordt bepaald dat het plaatsen of verplaatsen van woonwagens onder bepaalde voorwaarden ook vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning.

Het gaat dan om de plaatsing op een residentieel woonwagenterrein of doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2000 houdende de subsidiëring van de verwerving, de inrichting, de renovatie en de uitbreiding van woonwagenterreinen voor woonwagenbewoners, op voorwaarde dat het terrein in kwestie uit stedenbouwkundig oogpunt vergund of hoofdzakelijk vergund is.

Het gaat niet om zgn. “pleisterplaatsen voor woonwagenbewoners”; dit zijn terreinen die normaal gezien niet bestemd zijn voor het plaatsen van een woonwagen, maar waarop onder bepaalde voorwaarden voor een beperkte periode verkeerswaardige woonwagens kunnen staan. Deze kunnen gebruik maken van de bestaande vrijstelling voor de tijdelijke plaatsing van constructies (art. 7.3 van het vrijstellingsbesluit).

Ook hier is het zo dat het plaatsen of verplaatsen van woonwagens niet in strijd mag zijn met de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen, waarbij gedacht kan worden aan de vergunning waarbij het residentieel woonwagenterrein of het doortrekkersterrein vergund werd. (art. 1.3 van het vrijstellingsbesluit).