Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Omgevingsvergunning vervangt de stedenbouwkundige vergunning

SInds 1 januari 2018 vervangt de nieuwe 'omgevingsvergunning' de stedenbouwkundige vergunning in alle Vlaamse gemeenten. Alle informatie rond vergunningen wordt voortaan gebundeld op de website www.omgevingsloketvlaanderen.be

Uitleg bij vermoeden van verval van verkavelingen van voor 1970 

1. Vraag: Kunt u in een paar woorden de regeling samenvatten?

Antwoord: Sinds 1 mei 2000 bestaat een vermoeden van verval voor onbebouwde loten binnen vergunde verkavelingen van voor 22 december 1970. Eigenaars konden zich melden. Voor de onbebouwde loten wordt het vermoeden van verval pas opgeheven nadat dat deeltje van het vergunningenregister door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar is goedgekeurd. Voor meer informatie leest u best aandachtig artikel 192, § 2 van het nieuwe decreet, vervangen bij decreet van 21 november 2004.

2. Vraag: Geldt de regeling ook voor verkavelingen van voor 1962?

Antwoord: de stedenbouwwetgeving dateert van 29 maart 1962. Ze is in werking getreden op 22 april 1962 (10 dagen na publicatie in het Belgisch Staatsblad). Voordien bestonden er geen verkavelingsvergunningen. De wetgeving voorzag dat immers niet. Wat wel gebeurde was dat eigenaars, totaal vrijwillig, het akkoord van stedenbouw vroegen over een verkavelingsontwerp. Deze "verkavelingsakkoorden" zijn niet te beschouwen als "verkavelingsvergunningen". Aangezien de regeling van artikel 192 enkel spreekt over verkavelingsvergunningen, is zij dus niet van toepassing op deze verkavelingsakkoorden van voor 1962.

Op deze verkavelingsakkoorden is artikel 192, § 1 van toepassing (vervangen bij decreet van 21 november 2004).

3. Vraag: Tot wanneer mochten eigenaars zich melden en wat met laattijdige meldingen?

Antwoord: Het decreet bepaalt: "Als geen enkele eigenaar van een onbebouwde kavel zich gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van 90 dagen na 1 mei 2000, dan is de verkavelingsvergunning voor de onbebouwde kavel of kavels definitief vervallen." De melding moest dus gebeuren binnen 90 dagen na 1 mei 2000. De 90ste dag is zondag 30 juli 2000 (als je 1 mei niet meerekent) of zaterdag 29 juli (als je 1 mei wel meerekent). In de praktijk is de laatste dag dus vrijdag of zaterdag (al naargelang de gemeente op zaterdag geopend is). Een aangetekende zending met postdatum 29 juli is geldig.

Laattijdige meldingen kunnen geen enkel gevolg meer hebben. De tekst van het decreet is zeer duidelijk.

4. Vraag: Het verval van verkavelingen van voor 1970 geldt enkel voor onbebouwde loten. Wanneer is een lot onbebouwd?

Antwoord: Een lot is onbebouwd zolang de in de verkaveling voorziene woningbouw niet is gerealiseerd. Bebouwing met een tuinhuisje maakt een lot niet "bebouwd". Ook als er een te slopen gebouw op een kavel staat, is deze kavel niet bebouwd in de zin van de verkavelingsvergunning!

5. Vraag: Mag de gemeente, in een verkaveling van voor 1970, nog een stedenbouwkundige vergunning afleveren in toepassing van artikel 44 (oud decreet - zonder advies gemachtigde ambtenaar) of dient dit volgens de procedure artikel 43 (met advies gemachtigde ambtenaar) te gebeuren?

Antwoord: Vanaf 1 mei 2000 geldt een vermoeden van verval van de verkaveling (ongeacht of men zich gemeld heeft of niet). Er is (minstens tijdelijk) op de onbebouwde loten geen verkaveling meer, dus is artikel 43 van toepassing.

Opgelet: stel dat het gaat over een woning kleiner dan 1000 m³ in woongebied in de ruime zin, dan mag de gemeente uiteraard zelf beslissen.

Weigering is noodzakelijk indien de aanvraag volgens het gewestplan zonevreemd is. Deze blokkering duurt zolang dat deel van het vergunningenregister niet is goedgekeurd door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar.

8. Vraag: Is de melding verplicht?

Antwoord: Neen, helemaal niet.

9. Vraag: Wat gebeurt er in het geval van recente verkavelingswijzigingen van verkavelingen van voor 1970?

Antwoord: De datum van de oorspronkelijk vergunde verkaveling telt! De regeling over het vermoeden van verval is dus van toepassing!

10. Vraag: Wat gebeurt er in het geval dat april 2000 een afwijking in toepassing van artikel 49 werd toegestaan in een verkaveling van voor 1970, waar het vermoeden van verval bestaat?

Antwoord: Als nu de definitieve bouwaanvraag wordt ingediend (ook al is ze conform de bekomen afwijking) dan primeert de vervalregeling. De aanvraag wordt afgehandeld conform artikel 43 (zie ook vraag 6).

11. Vraag: Wat gebeurt er in een verkaveling, vergund voor 1970, waar een vermoeden van verval is, indien men deze wenst te wijzigen? Kan er op dit moment een verkavelingswijziging worden afgeleverd indien de betrokkenen zich reeds hebben gemeld en vastgesteld is door het college dat de verkaveling niet vervallen is?

Antwoord: Alle verkavelingswijzigingen voor onbebouwde loten zijn geblokkeerd totdat dat deel van het vergunningenregister is goedgekeurd. De verkaveling bestaat tijdelijk niet meer. Ze kan dus ook niet gewijzigd worden.

Nieuwe verkavelingen kunnen wel. De oude verkaveling bestaat immers tijdelijk niet meer voor de onbebouwde loten. We stellen wel voor om met de afhandeling te wachten tot na afloop van de meldingsperiode. De nieuwe verkaveling kan pas met gunstig gevolg worden afgehandeld als de betrokken eigenaars zich niet hebben gemeld, zoniet verkrijgt met op een bepaald ogenblik twee verkavelingsvergunningen die betrekking hebben op dezelfde gronden.

Stedenbouwkundige vergunningen kunnen onder bepaalde voorwaarden nog wel (conform zijn met het gewestplan, soms advies gemachtigde ambtenaar nodig, zie ook vraag 6).

12. Vraag: Moet de gemeente de meldingen doorsturen naar AROHM?

Antwoord: Neen, de gemeente moet de meldingen controleren (nagaan of de verkaveling niet reeds vervallen was) en in digitale vorm opnemen in het vergunningenregister. Pas als dat deel van het vergunningenregister klaar is, wordt het bezorgd aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar.

13. Vraag: Hoe moet de gemeente de meldingen controleren?

Antwoord: Vooreerst gaan men na of het een verkaveling betreft die vergund is tussen 22 april 1962 en 22 december 1970.

Dan gaat men na of het een onbebouwd lot betreft.

Dan kijkt men of de verkaveling niet reeds vervallen was aan de hand van punt 12 van de bijlage bij het coördinatiedecreet:

Verkavelingen met wegenaanleg:

"§2. Komen te vervallen, behoudens overmacht :

1. de vóór 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen omvatten, indien op 1 oktober 1970 geen aanvang is gemaakt met enig in de vergunning voorgeschreven werk tot uitvoering van die wegen.

Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet voltooid zijn vóór 31 december 1972.

2. de met ingang van 1 januari 1965 afgegeven vergunningen waarvan de voorgeschreven uitvoeringswerken niet voltooid zijn binnen drie jaar te rekenen van 1 oktober 1970. Deze termijn wordt eventueel verlengd tot de vijfde verjaardag van de afgifte der vergunning.

De vergunninghouder kan de uitvoering in fasen aanvragen indien daartoe in verband met de omvang van de verkaveling aanleiding bestaat. Van de weigeringsbeslissingen kan beroep worden aangetekend zoals bepaald in artikel 53."

Verkavelingen zonder wegenaanleg:

"§3. Komen eveneens te vervallen :

1. de vóór 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop van minstens één van de percelen niet vóór 1 oktober 1970 aan de registratieformaliteit is onderworpen ;

2. de met ingang van 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, van minstens één derde van de percelen niet binnen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum der vergunning, aan de registratie-formaliteiten is onderworpen."

Opgelet: de verkaveling is niet vervallen voor de tijdig geregistreerde percelen, ook al zijn er in de totaliteit onvoldoende percelen verkocht.

"In beide gevallen dient het bewijs van de verkoop of van de verhuring te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in artikel 55, § 4."

De bewijzen van verkoop kunnen door de gemeente aan de eigenaar die zich meldt worden gevraagd. Met andere woorden, de bewijslast ligt niet bij de gemeente! Dit volgt duidelijk uit de vroegere tekst van artikel 55, § 4 van het coördinatiedecreet.

14. Vraag: Vanaf wanneer geldt het vermoeden van verval?

Antwoord: Het vermoeden van verval geldt vanaf 1 mei 2000, dus ook als een bouwaanvraag reeds ingediend was voor 1 mei en nog niet afgehandeld was.

Het decreet voorziet immers geen overgangsregeling.

15. Vraag: Dient men bij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning rekening te houden met de verkavelingsvoorschriften als er een vermoeden van verval van de verkaveling geldt?

Antwoord: Neen. Het is wel zo dat men rekening moet houden met de goede ruimtelijke ordening, en die ligt meestal vast in de verkavelingsvoorschriften. Men moet dus gebouwen weren die niet harmoniëren met de rest van de omgeving.

Ook kan men best rekening houden (zonder dit uitdrukkelijk in de beslissing te vermelden) met de verkavelingsvoorschriften wanneer men weet dat de melding voor de betrokken kavel gebeurd is. De verkaveling zal enige tijd later immers terug "herleven".

16. Vraag: Hoe lang geldt het vermoeden van verval?

Antwoord: Het decreet zegt: "Tot het in artikel 191, § 1, derde lid, 4° vermelde deel van het vergunningenregister volledig is opgemaakt door de gemeente en goedgekeurd door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar."

Het is dus niet zo dat het volledige vergunningenregister klaar moet zijn! Als het deel over de verkavelingen van voor 1970 klaar is, kan dit apart worden goedgekeurd! Het is in het belang van de burger dat de gemeente hier zo snel mogelijk werk van maakt.