Besluit van de Vlaamse regering van 1 oktober 2004 houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratie-voorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater

 Afdrukken  

bvr 1/10/2004     b.s. 8/11/2004
wijz. bvr 23/6/2006   b.s. 22/8/2006
wijz. bvr 10/9/2010   b.s. 7/10/2010

 

OPGELET: De Vlaamse Regering heeft op 5 juli 2013 een nieuwe verordening hemelwater definitief goedgekeurd. Die beslissing treedt in werking op 1 januari 2014. Hieronder vindt u de tekst die van toepassing is op voor die datum ingediende aanvragen.

 

Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

1° buffervoorziening: een voorziening voor het bufferen van hemelwater met een vertraagde afvoer en een noodoverlaat;

2° infiltratie: het doorsijpelen van hemelwater in de bodem;

3° infiltratievoorziening: een buffervoorziening waarbij de vertraagde afvoer gebeurt door infiltratie;

4° horizontale dakoppervlakte: de oppervlakte van de projectie van de buitenafmetingen van het dak op een horizontaal vlak;

5° groendak: een dak dat volledig voorzien is van een drainagemat en begroeiing;

6° referentieoppervlakte van de verharding: de verharde oppervlakte, exclusief de dakoppervlakte. Wordt de verharding aangelegd met waterdoorlatende klinkers, dan wordt de verharde oppervlakte door twee gedeeld;

7° hemelwater: verzamelnaam voor regen, sneeuw, hagel, met inbegrip van dooiwater;

8° afvalwater: water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen met uitzondering van niet-verontreinigd hemelwater;

9° aftappunt: plaats waar hemelwater uit de hemelwaterput wordt afgetapt voor nuttig gebruik;

10° lozing: de emissie door daartoe bestemde afvoerkanalen;

11° kunstmatige afvoerweg voor hemelwater: de greppels, grachten, duikers en leidingen bestemd voor het afvoeren van hemelwater, bodemwater, grondwater, bemalingswater en desgevallend ook afvalwater, behandeld conform de van toepassing zijnde wetgeving;

12° infiltratiedebiet: de infiltratiecapaciteit vermenigvuldigd met de verhouding van de infiltratieoppervlakte over de som van infiltratieoppervlakte, referentieoppervlakte van de verharding en horizontale dakoppervlakte.


Art. 2. Dit besluit bevat minimale voorschriften voor de lozing van niet-verontreinigd hemelwater, afkomstig van verharde oppervlakken. Het algemeen uitgangsprincipe hierbij is dat hemelwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt wordt. In tweede instantie moet het resterende gedeelte van het hemelwater worden geïnfiltreerd of gebufferd, zodat in laatste instantie slechts een beperkt debiet vertraagd wordt afgevoerd. Ook de plaatsing van de overloop van de hemelwaterput en de infiltratievoorziening dient aan dit principe te beantwoorden.


Art. 3. § 1. Dit besluit is van toepassing op het bouwen of herbouwen van gebouwen of constructies met een horizontale dakoppervlakte groter dan 75 vierkante meter. Het is eveneens van toepassing als de horizontale dakoppervlakte van een gebouw of constructie met meer dan 50 vierkante meter wordt uitgebreid, doch enkel op die uitbreiding. Als herbouwen wordt beschouwd een bouwproject waarbij minder dan 60% van de buitenmuren wordt behouden.

Van de toepassing van deze paragraaf zijn vrijgesteld gebouwen die worden opgericht op een goed kleiner dan 3 are.

Deze paragraaf is niet van toepassing op gebouwen met rieten daken of met een groendak.

§ 2. Dit besluit is ook van toepassing op het aanleggen of heraanleggen van verharde grondoppervlakken, indien de referentieoppervlakte van de verharding groter is dan 200 vierkante meter. Als heraanleggen wordt beschouwd een project waarbij de volledige verharding, met inbegrip van de funderingslaag, wordt vervangen. Dit besluit is niet van toepassing in volgende gevallen:

1° op verharde grondoppervlakken die nog voldoende infiltratie mogelijk maken, zoals steenslagverharding of grastegels;

2° op verharde grondoppervlakken die tot het openbaar wegdomein behoren of die bestemd zijn om te worden ingelijfd bij het openbaar wegdomein;

3° indien het hemelwater dat op de verharde grondoppervlakte valt, op natuurlijke wijze naast de verharde grondoppervlakte op eigen terrein in de bodem kan infiltreren;

4° indien het hemelwater door contact met de verharde oppervlakte dermate vervuild wordt, dat het als afvalwater dient beschouwd te worden.

Op de plannen dient aangegeven welke verharde oppervlakken onder een van voormelde uitzonderingen vallen.


Art. 4. § 1. Een stedenbouwkundige vergunning voor de werken, bedoeld in artikel 3, § 1 kan enkel worden afgegeven als op de plannen de plaatsing van een hemelwaterput is aangegeven.

De aanvrager kan ook opteren voor de plaatsing van een hemelwaterput als de aanvraag om stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de werken, bedoeld in artikel 3, § 2. De hemelwaterput wordt in dit geval gedimensioneerd overeenkomstig de normen, opgenomen in § 2. De aanvrager doet het nodige om verontreiniging van het in de hemelwaterput opgevangen water te vermijden.

Ook indien op het goed meerdere gebouwen aanwezig zijn, is er slechts één hemelwaterput voor het hele gebouwencomplex verplicht.

Indien de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de bouw van landbouwbedrijfsgebouwen, zonder bedrijfswoning, dan is de plaatsing van een hemelwaterput niet verplicht mits een oplossing in overeenstemming met de artikelen 5 en 6 wordt voorzien.

Op de plannen wordt naast de exacte inplanting, de inhoud van de hemelwaterput, in liters, de totale horizontale dakoppervlakte en de totale overige verharde grondoppervlakte in vierkante meter, alsook de aftappunten van het hemelwater vermeld.

§ 2. Het volume van de hemelwaterput dient in verhouding te staan tot de horizontale dakoppervlakte, zoals hieronder bepaald.

Voor een horizontale dakoppervlakte tot 100 vierkante meter volstaat een hemelwaterput van 3000 liter of meer. Voor een horizontale dakoppervlakte tussen 100 en 150 vierkante meter volstaat een hemelwaterput van 5000 liter of meer. Voor een horizontale dakoppervlakte tussen 150 en 200 vierkante meter volstaat een hemelwaterput van 7500 liter of meer.

Voor het deel van de horizontale dakoppervlakte vanaf 200 vierkante meter kan een oplossing in overeenstemming met de artikelen 5 en 6 worden voorzien.

§ 3. Het volledige dakoppervlak dient in één of meerdere hemelwaterputten af te wateren. Enkel indien het gebouw wordt herbouwd in gesloten bebouwing kan volstaan worden met een afwatering van de helft van de horizontale dakoppervlakte. Het volume van de hemelwaterput wordt echter bepaald op basis van de volledige horizontale dakoppervlakte.

§ 4. Een stedenbouwkundige vergunning voor de werken, bedoeld in artikel 3, § 1 kan enkel worden afgegeven als op de hemelwaterput een operationele pompinstallatie wordt aangesloten, die het gebruik van het opgevangen hemelwater mogelijk maakt.

Een pompinstallatie is niet verplicht indien de aftappunten gravitair gevoed kunnen worden.


Art. 5. § 1. Een stedenbouwkundige vergunning voor de werken, bedoeld in artikel 3, § 2, kan enkel worden verleend als op de plannen de plaatsing van een infiltratievoorziening is aangegeven.

Op de plannen wordt naast de exacte inplanting, omvang en diepte van de infiltratievoorziening, het buffervolume van de infiltratievoorziening, in liters en de totale verharde grondoppervlakte in vierkante meter vermeld.

§ 2. Het buffervolume van de in § 1 bedoelde infiltratievoorziening dient in verhouding te staan tot het gerealiseerde infiltratiedebiet. Het buffervolume van de infiltratievoorziening dient minimaal 300 liter per begonnen 20 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding te bedragen. De oppervlakte van de infiltratievoorziening dient minimaal 2 vierkante meter per begonnen 100 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding te bedragen. Van deze afmetingen kan slechts afgeweken worden indien de aanvrager aantoont dat de door hem voorgestelde oplossing een afdoende buffer- en infiltratiecapaciteit heeft.


Art. 6. § 1. In afwijking op artikel 5 mag het hemelwater vertraagd afgevoerd worden via een afvoerbegrenzer met een maximaal lozingsdebiet van 1500 liter per uur en per 100 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding, in één van onderstaande gevallen:

1° de aanvrager toont aan dat de doorlatendheidsfactor kf van de bodem op de plaats van de geplande infiltratievoorziening kleiner is dan 1.10-5 meter per seconde.

2° de aanvrager toont aan dat infiltratie onmogelijk is wegens voortdurend voorkomende hoge grondwaterstanden.

Een buffervolume van 400 liter per begonnen 20 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding moet in dit geval worden aangelegd.

§ 2. In afwijking op artikel 5 moet het hemelwater vertraagd afgevoerd worden via een afvoerbegrenzer met een maximaal lozingsdebiet van 1500 liter per uur en per 100 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding, indien de geplande infiltratievoorziening in beschermingszone 1 of 2 van een drinkwaterwingebied ligt, zoals afgebakend ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984, houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende nadere regelen voor de afbakening van waterwingebieden en beschermingszones.

Een buffervolume van 400 liter per begonnen 20 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding moet in dit geval worden aangelegd.

§ 3. Ingeval de referentieoppervlakte van de verharding groter is dan 1000 vierkante meter, mag het hemelwater vertraagd afgevoerd worden met een maximaal afvoerdebiet van 1500 liter per uur en per 100 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding. Een buffervolume van 400 liter per begonnen 20 vierkante meter referentieoppervlakte van de verharding moet worden aangelegd.

De vrijstelling van de verplichtingen bedoeld in artikel 5, geldt echter niet voor de eerste 1000 vierkante meter van de referentieoppervlakte van de verharding.

§ 4. Op de plannen wordt de exacte inplanting en het buffervolume van de voorziening voor vertraagde lozing, in liters, en de totale verharde grondoppervlakte in vierkante meter vermeld.


Art. 7. § 1 Als de aanvrager voldoet aan de bepalingen van dit besluit door een combinatie van hemelwaterput, infiltratievoorziening en/of vertraagde lozing, dan wordt een verdeling van de horizontale dakoppervlakte en de referentieoppervlakte van de verharding over deze verschillende oplossingen doorgevoerd.

§ 2. Aan de bepalingen van dit besluit kan zowel worden voldaan door de aanleg van individuele voorzieningen als door de aanleg van collectieve voorzieningen, die voor meerdere onroerende goederen een oplossing voorzien.

§ 3. Aan de bepalingen van dit besluit kan geheel of gedeeltelijk worden voldaan door het uitvoeren van compenserende maatregelen op hetzelfde goed, namelijk door het verwijderen van bestaande verharde oppervlakten.

§ 4. De hemelwaterput, de infiltratie- of buffervoorziening en/of de lozingsbegrenzer dienen geplaatst en in gebruik genomen te zijn ten laatste zes maanden nadat het gebouw of de verharding in gebruik is genomen.


Art. 8. Als de aanvrager een afvoer van het hemelwater dient aan te leggen, dan is hij verplicht het overtollige hemelwater minstens tot aan het lozingspunt gescheiden af te voeren van het afvalwater.

Het lozen van hemelwater op de openbare gemengde riolering kan enkel bij afwezigheid van een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een oppervlaktewater waarop met redelijke kosten kan aangesloten worden.

Indien een nieuwe openbare riolering, die bestemd is voor de afvoer van afvalwater en hemelwater, wordt aangelegd op een plaats waar nog geen riolering aanwezig was, dan dient deze riolering in een gescheiden stelsel te worden aangelegd.


Art. 9. [Het vergunningverlenende bestuursorgaan kan], op gemotiveerde vraag van de bouwheer, afwijkingen toestaan op de verplichtingen van artikels 4 tot en met 8, alleen wanneer de plaatselijke omstandigheden, specifieke eisen van technische aard of bijzondere nieuwe technieken een andere bouwwijze vereisen of verantwoorden. In dat geval moet bij het uitvoeren van de watertoets, bedoeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid het advies gevraagd worden van het bekkensecretariaat van het bekken op wiens beheersingsgebied de vergunningsaanvraag betrekking heeft.

Tot zolang het bekkensecretariaat niet operationeel is, dient het advies gevraagd van de bevoegde beheerder van de waterloop waarin het hemelwater dat op het goed valt, verzameld wordt.


Art. 10. Het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 1999 houdende vaststelling van een algemene bouwverordening inzake hemelwaterputten, wordt opgeheven.


Art. 11. Van de toepassing van dit besluit zijn de aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning vrijgesteld waarvoor het ontvangstbewijs voor de datum van inwerkingtreding is afgegeven.


Art. 12. Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen dit besluit aanvullen en strengere normen opleggen.

De provincie Vlaams-Brabant brengt de provinciale stedenbouwkundige verordeningen binnen een termijn van zes maanden in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening

De gemeenteraden brengen de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen binnen een termijn van zes maanden in overeenstemming met de voorschriften van deze verordening.


Art. 13. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.


Art. 14. De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.

 Afdrukken  
Artikelsgewijze toelichting bij de verordening voor hemelwater
Artikel 1 
  • Verduidelijking omschrijving waterdoorlatende klinkers
    De bevoegde minister bood in een brief van 12 september 2007 aan de gemeenten meer verduidelijking: Klassieke klinkerverhardingen: De verhardingen met klassieke betonstraatstenen, waarbij het hemelwater wel opgevangen, verzameld en afgevoerd wordt in goten of buizen vallen wel onder het toepassingsgebied van de verordening. Ze krijgen in toepassing van artikel 1 de “bonus”. Hun oppervlakte moet immers maar voor de helft in rekening worden gebracht.
     
    Als de verharding dermate doorlatend is dat men het hemelwater niet moet verzamelen en afvoeren, dan fungeert het terrein onder de verharding als infiltratievoorziening en belast men de rioleringen en grachten niet. Dus kan men in toepassing van artikel 3, § 2, 3° stellen dat de verordening op zo’n verhardingen niet van toepassing is.

    Het betreft hier voornamelijk twee soorten verharding in betonstraatstenen:

    1. Poreuze stenen. Hierbij kan het water door de steen zelf passeren omdat er gebruik gemaakt is van een betonsamenstelling die een matrix veroorzaakt die waterdoorlatend is.
      Febestral schrijft: “In PTV 122 staat beschreven dat de doorlatendheid gemiddeld 5,4.10-5 m/s dient te zijn en dat elke steen een doorlatendheid van minstens 5,0.10-5 m/s dient te hebben. "
      Deze waarde van 5,4.10-5 m/s komt overeen met een bui die één keer om de 30 jaar in België voorkomt en dan nog eens vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 2. Deze veiligheidsfactor is ingevoerd om rekening te houden met een dichtslibbing van de stenen. In de literatuur vermeldt men dat een dichtslibbing van 50% kan optreden. Indien deze dichtslibbing optreedt, voldoet de steen nog steeds aan de ontwerpbui.
      Daarnaast staat in de PTV ook op een éénduidige manier beschreven hoe dat de doorlatendheid dient bepaald te worden zodanig dat hier geen misverstanden over kunnen bestaan.”
    2. Stenen aangelegd met verbrede voeg of met openingen.
      Febestral stelt: “In de PTV 122 staan de maatkenmerken van deze stenen beschreven die ervoor moeten zorgen dat na plaatsing van de stenen minstens 10% van de horizontale oppervlakte wordt ingenomen door openingen. "
      Door het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw en door FEBESTRAL wordt aangeraden om deze voegen op te vullen met een steenslag 1/3, 2/4… Deze materialen hebben een doorlatendheid van minstens 1.10-3 m/s.
      Maar zelfs indien men deze voegen zou opvullen met een fijn scheldezand of een zeezand voldoet men nog aan de doorlatendheid. Metingen op het OCW hebben aangetoond dat de laatste doorlatendheid wordt gehaald door fijn scheldezand. Maar dit zand haalt nog een doorlatendheid van 1.10-4 m/s. Daar het openingenpercentage 10% heeft men nog steeds te maken met een doorlatendheid van 1.10-5m/s.
artikel 2
  • Moet de overloop van een hemelwaterput altijd worden aangesloten op een infiltratievoorziening of een systeem voor vertraagde afvoer?
    Als zowel een hemelwaterput als een infiltratievoorziening wordt aangelegd, dan moet de overloop van de hemelwaterput in de infiltratievoorziening uitkomen. Hetzelfde geldt voor een voorziening voor vertraagde afvoer. Als u echter alleen een dak van kleiner dan 200 m² bouwt, dan is een infiltratievoorziening overbodig (enkel hemelwaterput nodig). Dan kan natuurlijk de overloop niet in de (onbestaande) infiltratievoorziening terecht komen.
artikel 3
  • Met een "goed" worden alle percelen in eigendom van dezelfde eigenaar bedoeld.
  • Groendaken vallen niet onder de verordening. Men heeft dan ook de keuze om de overloop van het groendak te laten uitmonden in een hemelwaterput, een infiltratievoorziening, een buffervoorziening, of rechtstreeks in gracht, waterloop of riolering. Het is duidelijk dat de eerste oplossingen beter zijn dan de laatste. 
  • Wat zijn verharde grondoppervlakken die nog voldoende infiltratie mogelijk maken?
    In de verordening worden niet limitatief twee voorbeelden gegeven: steenslagverharding of grastegels. Ook dolomietverharding valt hieronder. 
  • Wat wordt bedoeld met "indien het hemelwater dat op de verharde grondoppervlakte valt, op natuurlijke wijze naast de verharde grondoppervlakte op eigen terrein in de bodem kan infiltreren;"
    Het hemelwater dat op sommige verhardingen valt, wordt niet opgevangen en afgevoerd. Het kan van de verharding afstromen en ernaast, bijvoorbeeld in het gras, in de bodem insijpelen. Dat mag uiteraard. Het is zelfs positief. Er is geen verplichting om goten aan te leggen en het water op te vangen. Uiteraard moet de oppervlakte waarop het water kan insijpelen voldoende groot zijn. Men mag namelijk geen wateroverlast op de lager gelegen buurpercelen veroorzaken. Een vuistregel hierbij kan zijn dat de oppervlakte van de verharding kleiner moet zijn dan de oppervlakte waarop het water kan insijpelen. 
  • Wordt hemelwater door contact met de verharde oppervlakte niet dermate vervuild dat het als afvalwater dient beschouwd te worden en dus buiten het toepassingsgebied van de verordening valt?
    Neen. Voor afvalwater gelden specifieke regels in het VLAREM (Vlaams reglement inzake de milieuvergunning). Een gewone parking waarop wagens geparkeerd worden valt normaal gezien onder de verordening. Met de uitzondering worden bijvoorbeeld verhardingen bij benzinestations bedoeld.
artikel 4
  • Wat als men een hemelwaterput, groter dan 7500 liter, wil plaatsen?
    Dit mag natuurlijk en kan als u veel water uit deze put wenst te gebruiken, zelfs een heel goede en rendabele oplossing zijn. Dan rekent u 2500 liter meer voor elke verdere toename van de dakoppervlakte per begonnen 50 m². Voor een put van 10.000 liter mag u een oppervlakte van 250 m² in rekening brengen. Voor 12.500 liter 300 m², voor 15.000 liter 350 m², enzovoort. 
  • Ook een handpomp is een "operationele" pompinstallatie" zoals bedoeld in art 4 § 4)
  • Hoe moet ik het water van de hemelwaterput gebruiken als ik een appartementsgebouw wil bouwen?
    De verordening bepaalt enkel:
    "§ 4. Een stedenbouwkundige vergunning voor de werken, bedoeld in artikel 3, § 1 kan enkel worden afgegeven als op de hemelwaterput een operationele pompinstallatie wordt aangesloten, die het gebruik van het opgevangen hemelwater mogelijk maakt.
    Een pompinstallatie is niet verplicht indien de aftappunten gravitair gevoed kunnen worden."
    Je voldoet dus al aan de verordening als je een pomp plaatst waar men water mee kan oppompen om de auto's te wassen. Dat is de minimalistische oplossing. Je zou ook elk WC en elke wasmachine van elk appartement op de installatie kunnen aansluiten. Dat is de maximalistische oplossing.
     
    Elke vergunning is ook onderworpen aan de watertoets. En dat betekent dat de vergunning verlenende overheid ook in redelijkheid moet nagaan of de voorgestelde oplossing zinvol is. Elk Wc van elk appartement aansluiten lijkt bijvoorbeeld weinig zinvol omdat in zo'n situatie de hemelwaterput quasi zeker veel te weinig water ontvangt om alle appartementen van water voor de WC's te voorzien. Enkel een kraantje om auto's te wassen is erg minimalistisch en zeker als er geen tuin is of geen plaats om auto's te wassen lijkt het weinig waarschijnlijk dat de put ooit goed gebruikt zal worden. De gemeente mag zo'n oplossing dus afwijzen.
     
    Je kan ruwweg stellen dat elke 100 m2 dakoppervlak voldoende regenwater levert voor 1 appartement. Als je ongeveer 4.000 liter putcapaciteit per appartement voorziet en hierop WC en kuiswater aansluit kunnen er gemiddeld 2 tot 3 personen permanent in leven met een minimale kans dat de put leegstaat (verbruik 120 l/dag; ca. 50 l/persoon/dag). Met een capaciteit van 7.000 liter per appartement zijn dat 3 personen (150 l/dag). Met bijvulmechanismen kunnen nog grotere verbruiken worden opgevangen (respectievelijk kleinere capaciteiten volstaan).

    Conclusie: als vuistregel kan de overheid voor een appartementsgebouw de aansluiting van 1 appartement per +/- 100 m2 dak vragen.
artikel 5
  • Wat is het buffervolume?
    Dit is de maximale inhoud van de infiltratievoorziening (tot de natuurlijke of kunstmatige overloop). 
  • Van deze afmetingen kan slechts afgeweken worden indien de aanvrager aantoont dat de door hem voorgestelde oplossing een afdoende buffer- en infiltratiecapaciteit heeft.
    Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van een studie van een gespecialiseerd bureau dat de infiltratiekarakteristieken van de grond beschrijft en berekent dat geringere afmetingen in een evenwaardige infiltratie voorzien. 
  • De oppervlakte van de infiltratievoorziening is de horizontale oppervlakte. De oppervlakte van de schuine of vertikale wanden wordt niet in rekening gebracht.
artikel 6
  • De doorlatendheidsfactor komt overeen met zandachtige grond. Betekent dit dat men op vele plaatsen in Vlaanderen vertraagd mag afvoeren in plaats van te infiltreren?
    De gewestelijke stedenbouwkundige ordening voorziet dat de infiltratie van het hemelwater van de eerste 1000m² verharding verplicht is. Op deze verplichting zijn evenwel uitzonderingen voorzien:
    1. waar de doorlatendheid lager is dan 10 -5 m/s moet niet geinfiltreerd worden (maar het mag natuurlijk wel) 
    2. waar er voortdurend hoge grondwaterpeilen zijn, mag de infiltratie ook vervangen worden door een buffering 
    3. in beschermingszone 1 en 2 rond drinkwaterwingebieden is het niet toegelaten om te infiltreren, hier is het dus verplicht om voor vertraagde afvoer te kiezen.
  • Een doorlatendheid van 10-5 komt overeen met zandbodems, maar ook elders mag voor infiltratie worden gekozen.
    Als de aanvrager voor infiltratie kiest
    1. is het buffervolume dat hij moet voorzien minder groot dan bij vertraagde afvoer (300 liter per 20m2 ipv 400 liter) en dus zal vertraagde afvoer meestal duurder uitvallen 
    2. als de aanvrager van de mogelijkheden 1 of 2 wil gebruik maken en wil afzien van infiltratie moet hij dit aantonen, wat uiteraard meer moeite kost. 
  • Hoe berekent men de doorlatendheidsfactor?
    De infiltratiecapaciteit kan ter plaatse worden bepaald door het indrijven van een dubbele ring met bepaalde diameter in de bodem en het meten van de tijd (snelheid) waarmee opgegoten water in de bodem infiltreert. Deze methode kan een architect of ontwerper zelf toepassen (zie de bestaande Code van goede praktijk voor de aanleg van rioolstelsels). Uit de literatuur blijkt dat de doorlatendheidsgrens van 0,00001 m/s of 3,6 cm/uur alleen haalbaar is voor zandbodems of voor lemig zand, grosso modo komt dit in Vlaanderen overeen met de streek van de Kempen, doch zeer lokaal kan dit ook gehaald worden bij lokale zandbodems. 
     
  • Waar vindt men de grondwaterstand?
    De bodemkaart op de website van het Agentschap Geografische Informatie Vlaanderen (AGIV) geeft een indicatie.
artikel 7: geen toelichting
artikel 8
  • 'Redelijke kosten': Met deze bepaling wordt bedoeld dat men bijvoorbeeld geen private afvoer van hemelwater met een lengte van honderden meters moet aanleggen naar een waterloop als er vlakbij (niet gescheiden) riolering in de straat aanwezig is.
artikel 9
  • Hoe wordt deze afwijking aangevraagd?
    Dit kan door de bouwheer vooraf gevraagd worden, maar ook door de gemeente in de loop van de bouwaanvraagprocedure.
artikel 10 en 11  geen toelichting
artikel 12
  • Wanneer begint deze termijn van 6 maand te lopen?
    Officieel vangt hij aan op 1 februari 2005. Het is uiteraard aangewezen dat de gemeente hier sneller werk van maakt. Strijdige bepalingen in gemeentelijke en provinciale verordeningen zijn vanaf 1 februari 2005 niet meer van kracht omwille van de hiërarchie van rechtsnormen. Strengere bepalingen in gemeentelijke en provinciale verordeningen moeten wel worden nageleefd.
artikel 13
  • De verordening trad in werking op 1 februari 2005.
artikel 14: geen toelichting
 © 2016 Ruimte Vlaanderen -