directe link naar Vlaamse Codex

Besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is

 Afdrukken  

bvr 16/7/2010 b.s. 10/9/2010
wijz. bvr 26/11/2010 b.s. 13/12/2010
wijz. bvr 9/9/2011 b.s. 11/10/2011
wijz. bvr 17/1/2014   b.s. 18/2/2014
wijz. bvr 6/6/2014   b.s. 22/10/2014  
wijz. bvr 27/2/2015   b.s. 21/4/2015
wijz. bvr 27/11/2015   b.s. 23/2/2016
wijz. bvr 4/12/2015   b.s. 23/12/2015
wijz. bvr 15/7/2016   b.s. 19/9/2016

De Vlaamse Regering heeft op 15 juli 2016 een wijzigingsbesluit definitief goedgekeurd. Het wijzigt:

  • de handelingen die vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning
  • de stedenbouwkundige handelingen die gemeld kunnen worden
  • het toepassingsgebied van de gewestelijke verordening "hemelwater".

De wijzigingen, behalve deze van artikel 7.5. treden in werking op 29 september 2016. 

De wijzigingen zijn in onderstaande tekst in rood aangebracht.

Lees het verslag aan de Vlaamse Regering bij deze wijzigingen (WORD)


HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Art. 1.1.

In dit besluit wordt verstaan onder :

1° achtergevel : gevel die geen voorgevel of zijgevel is;

2° achtertuin : tuingedeelte van het goed dat geen voortuin of zijtuin is;

2°/1. afgebakend zeehavengebied: gebied binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan of bij gebrek daaraan, afgebakend conform artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;

3° agrarisch gebied in de ruime zin : elk gebied, hoofdzakelijk bestemd voor de landbouw, ook als het onderworpen is aan bijzondere voorwaarden;

3°/1. erosiegevoelig gebied: gebied met zeer hoge of hoge erosiegevoeligheid, zoals bepaald met toepassing van artikel 59 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid;

4° het goed : het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waarop de handelingen betrekking hebben, of, voor de percelen zonder kadastraal nummer, de grond of de gronden waarop de handelingen betrekking hebben; 

5° industriegebied in de ruime zin : elk gebied, bestemd voor industrie en ambacht, ook als het onderworpen is aan bijzondere voorwaarden;

6° niet-overdekte constructies : constructies zonder bouwvolume waarvan de hoogte beperkt is tot 1,5 meter boven het maaiveld;

7° openbaar domein : de openbare wegen, de spoorwegen, de bevaarbare rivieren en de kanalen dienstig voor de scheepvaart of een ander gebruik van openbaar nut, de onbevaarbare waterlopen, met telkens hun aanhorigheden, de openbare parken en pleinen, de zeestranden en duinen;

8° open afsluiting : afsluiting in draad of draadgaas;

8°/1. overstromingsgevoelig gebied: gebied opgenomen in bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;

9° Ramsargebied : een gebied dat aangewezen is krachtens de overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, opgemaakt in Ramsar op 2 februari 1971;

10° schuilhok : een eenvoudige constructie, waarin een of meer weidedieren tijdelijk kunnen verblijven. Schuilhokken zijn geenszins uitgerust zoals stallen, die bestemd zijn om dieren permanent te huisvesten;

11° voorgevel : elke gevel gericht op de voorliggende weg, met uitzondering van garagewegen of voetwegen;

12° voorgevellijn : de lijn die gevormd wordt door de voorgevel of voorgevels door te trekken tot op de zijgrenzen van het goed;

13° voortuin : gedeelte van het goed dat voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw ligt;

14° woongebied in de ruime zin : elk gebied, bestemd voor de oprichting van residentiële woningen, ook als het onderworpen is aan bijzondere voorwaarden;

15° zijgevel : gevel aan de zijkant van het hoofdgebouw;

16° zijtuin : gedeelte van het goed dat ter hoogte van een zijgevel ligt.


Art. 1.2.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, onverminderd andere regelgeving, inzonderheid de regelgeving inzake beschermde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurhistorische landschappen en archeologische sites, waarvoor een apart systeem van toelatingen geldt.


Art. 1.3.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gewestelijke, provinciale of gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen.


Art. 1.4.

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing, voor zover deze handelingen niet strijdig zijn met de voorschriften van gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, (...) bijzondere plannen van aanleg of verkavelingen die niet opgenomen zijn in de gemeentelijke lijst, opgemaakt in toepassing van artikel 4.4.1, § 3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.


Art. 1.5. 

Overeenkomstig artikel 4.2.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening zijn de bepalingen van dit besluit niet van toepassing op handelingen waarvoor een milieueffectenrapport, een passende beoordeling of een mobiliteitsstudie moet worden opgemaakt.


Art. 1.6. 

De bepalingen van dit besluit zijn niet van toepassing op handelingen gelegen in:

1° een vijf meter brede strook, te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen;

2° de erfdienstbaarheidszone langs grachten van algemeen belang, opgelegd in toepassing van artikel 32quaterdecies, §2, van  de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging;

3° een afgebakende oeverzone als vermeld in artikel 3, § 2, 43°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing op handelingen, uitgevoerd door of in opdracht van de beheerder van de waterloop of gracht.


HOOFDSTUK 2 Handelingen in, aan en bij woningen

Art. 2.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende handelingen :

1° gebruikelijke ondergrondse constructies als ze niet voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook liggen;

2° handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels en daken;

3° zonnepanelen of zonneboilers op een plat dak, tot maximaal 1 meter boven de dakrand, en zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het hellende dakvlak;

4° binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken;

5° afsluitingen tot een hoogte van twee meter in de zijtuin en achtertuin;

6° toegangspoorten en open afsluitingen tot een hoogte van twee meter;

7° gesloten afsluitingen tot een hoogte van 1 meter in de voortuin;

8° de plaatsing van niet-overdekte constructies in zijtuin en achtertuin, ingeplant tot op 1 meter van de perceelsgrens of tot tegen een bestaande scheidingsmuur, voor zover de gezamenlijke oppervlakte van dergelijke constructies, met inbegrip van alle bestaande niet-overdekte constructies in zijtuin en achtertuin, 80 vierkante meter niet overschrijdt;

9° de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen;

10° de plaatsing van allerhande kleine tuinconstructies zoals tuinornamenten, brievenbussen, barbecues en speeltoestellen;

11° van het hoofdgebouw vrijstaande niet voor verblijf bestemde bijgebouwen, met inbegrip van carports, in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 1 meter van de perceelsgrenzen. De vrijstaande bijgebouwen kunnen in de achtertuin ook op of tegen de perceelsgrens geplaatst worden als ze tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht worden en als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De totale oppervlakte blijft beperkt tot maximaal 40 vierkante meter per goed, met inbegrip van alle bestaande vrijstaande bijgebouwen. De maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

12° het opslaan van allerhande bij de woning horende materialen en materieel met een totaal maximaal volume van 10 kubieke meter, niet zichtbaar vanaf de openbare weg;

13° het plaatsen van één verplaatsbare inrichting die voor bewoning kan worden gebruikt, zoals één woonwagen, kampeerwagen of tent, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, zonder er effectief te wonen;

14° gebruikelijke constructies zoals ventilatiebuizen, airco’s, schoorsteenpijpen, schoorstenen, dakgoten en hemelwaterafvoerbuizen aan of op een woning, op voorwaarde dat ze niet meer dan drie meter boven de nok van de woning uitsteken;

15° de plaatsing van elektrische laadpalen;

16° de plaatsing van glasbollen, kledingcontainers en andere boven- of ondergrondse houders voor de selectieve verzameling en ophaling van afval, voor zover de gezamenlijke oppervlakte kleiner is dan tien vierkante meter.



Art. 2.2.

De vrijstelling, vermeld in artikel 2.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden :

1° de handelingen, vermeld in artikel 2.1, 1° tot 5°, 8°, 9°, 11° tot 14° en 16°, worden volledig uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte residentiële woning of bedrijfswoning;

2° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

3° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;

(...)

5° de handelingen, vermeld in art. 2.1, 8°, 11°, 12° en 13° zijn niet gesitueerd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied.

HOOFDSTUK 3 Handelingen in, aan en bij andere gebouwen dan woningen

Art. 3.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende handelingen :

1° gebruikelijke ondergrondse constructies als ze niet voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook liggen;

2° handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan zijgevels, achtergevels en daken;

3° zonnepanelen of zonneboilers op een plat dak, tot maximaal 1 meter boven de dakrand, en zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het hellende dakvlak;

4° binnenverbouwingen zonder stabiliteitswerken;

5° afsluitingen tot een hoogte van twee meter in de zijtuin en achtertuin;

6° toegangspoorten en open afsluitingen tot een hoogte van twee meter;

7° gesloten afsluitingen tot een hoogte van 1 meter in de voortuin;

7°/1. open afsluitingen en toegangspoorten tot een hoogte van drie meter in een afgebakend zeehavengebied;

8° de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen;

9° de plaatsing van seizoensgebonden, niet-overdekte terrassen bij horecazaken;

10° gebruikelijke constructies zoals ventilatiebuizen, airco’s, schoorsteenpijpen, schoorstenen, dakgoten en hemelwaterafvoerbuizen aan of op een gebouw, op voorwaarde dat ze niet meer dan drie meter boven de nok van het gebouw uitsteken;

11° de plaatsing van allerhande kleine tuinconstructies zoals tuinornamenten, brievenbussen en barbecues;

12° de voorlopige opslag van afvalstoffen op hun plaats van productie, indien dit gebeurt in functie van een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;

13° de plaatsing van glasbollen, kledingcontainers en andere boven- of ondergrondse houders voor de selectieve verzameling en ophaling van afval, voor zover de gezamenlijke oppervlakte kleiner is dan twintig vierkante meter;

14° de plaatsing van elektrische laadpalen.


Art. 3.2.

De vrijstelling, vermeld in artikel 3.1, geldt enkel als de handelingen voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° de handelingen, vermeld in artikel 3.1, 1° tot 5° en 8° tot 13°, worden volledig uitgevoerd binnen een straal van 30 meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw;

2° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging uitgevoerd;

(...)

HOOFDSTUK 4 Handelingen in industriegebied

Art. 4.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de plaatsing van constructies als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1° het betreft geen gebouwen of verhardingen;

2° de constructies staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;

3° de constructies worden opgericht binnen een straal van:

a)    vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding als ze liggen binnen een afgebakend zeehavengebied;

b)    dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw in overige gebieden;

4° de constructies zijn niet hoger dan:

a)    twintig meter als ze liggen binnen een afgebakend zeehavengebied;

b)    tien meter in overige gebieden;

5° de van vergunning vrijgestelde constructies zijn niet groter dan 200 vierkante meter;

6° de constructies liggen op minstens:

a)    dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;

b)    vijf meter van alle perceelsgrenzen;

7° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden;

8° er is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.4.


Art. 4.2.

Een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het aanleggen van verhardingen als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1° de verhardingen staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;

2° voor de plaats waar de verhardingen worden aangelegd bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

3° de verhardingen worden aangelegd binnen een straal van:

a)    vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding als ze liggen binnen een afgebakend zeehavengebied;

b)    dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw in overige gebieden;

4° de grondoppervlakte van de van vergunning vrijgestelde verharding is beperkt tot maximaal 200 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de verharding;

5° de verhardingen liggen op minstens:

a)    tien meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;

b)    drie meter van alle perceelsgrenzen;.

6° er is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.4.



Art. 4.3.

Een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het oprichten van gebouwen als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1° het gebouw heeft de functie industrie en bedrijvigheid, staat in relatie tot de bestaande industrie en bedrijvigheid en betreft geen bedrijfswoning;

2° voor de plaats waar het gebouw wordt opgericht bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

3° het gebouw wordt opgericht binnen een straal van:

a)    vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw als het ligt binnen een afgebakend zeehavengebied;

b)    dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw in overige gebieden;

4° in het geval het gebouw aangebouwd wordt aan een bestaand, vergund geacht of vergund gebouw, blijven de voorwaarden met betrekking tot brandcompartimentering van toepassing; zoniet bedraagt de afstand tussen het gebouw en andere gebouwen minstens vijf meter;

5° de grondoppervlakte van de van vergunning vrijgestelde gebouwen is beperkt tot maximaal 100 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de gebouwen;

6° het gebouw ligt op minstens:

a)    dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;

b)    vijf meter van alle perceelsgrenzen;

7° het gebouw is niet hoger dan:

a)    één bouwlaag en twintig meter als het ligt binnen een afgebakend zeehavengebied;

b)    één bouwlaag en tien meter in overige gebieden;

8° de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden;

9° de brandbelasting van het gebouw bedraagt minder dan 350 MJ/m2;

10° er is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.4.


Art. 4.4.

De vrijstellingen, vermeld in de artikelen 4.1, 4.2, en 4.3, gelden alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:


1° ze zijn gelegen in een industriegebied in de ruime zin;

2° ze liggen niet voor de rooilijn;

3° ze liggen niet in een zone uit het netwerk voor ecologische infrastructuur zoals aangeduid in een managementplan of soortenbeschermingsprogramma opgesteld ter uitvoering van de artikelen 50septies of 51 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

4° ze gaan niet gepaard met een ontbossing;

5° ze zijn niet strijdig met stedenbouwkundige voorschriften.




HOOFDSTUK 5 Land- en tuinbouw

Art. 5.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de plaatsing van de volgende zaken, voor zover ze niet liggen in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied : 

1° constructies met een maximale hoogte van 3,5 meter, als ze dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen en na de oogst worden verwijderd; 

1/1° constructies, met uitzondering van hagelkanonnen, glasconstructies en gebouwen, met een maximale hoogte van 3,5 meter of tot maximaal 1,5 meter boven de teelt, als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

a)    ze dienen voor de teelt of bescherming van landbouwgewassen;

b)    het hemelwater wordt opgevangen en hergebruikt of kan op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem infiltreren;

c) de constructies zijn niet gelegen in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of effectief overstromingsgevoelig gebied;


2° open afsluitingen of open afsluitingen met dwarslatten met een maximale hoogte van 2 meter; 

3° schuilhokken voor weidedieren. De schuilhokken hebben houten wanden, een maximale hoogte van drie meter en minstens één volledig open zijde. De totale oppervlakte is beperkt tot veertig vierkante meter per aaneengesloten groep van percelen in één eigendom;

4° het aanleggen van een dam uit plantaardige materialen langs de stroomafwaartse perceelsgrens van een erosiegevoelig perceel, op voorwaarde dat de hoogte van de dam beperkt is tot een meter boven het maaiveld.


Art. 5.2.

 Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de plaatsing van de volgende zaken, als ze in agrarisch gebied in de ruime zin liggen : 

1° een krengenhuisje; 

2° het draineren van een goed voor landbouw- of bodembeheerdoeleinden door de aanleg van een geheel van ondergrondse zuig- en/of moerleidingen, omhullingsmaterialen en eindbuizen en van een geheel van boven- en/of ondergrondse uitmondingsvoorzieningen, controleputten en hulpstukken, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is : 
a) de bovengrondse zichtbare voorzieningen hebben maximale afmetingen van 1 meter x 1 meter en liggen gelijk met het maaiveld of met het talud van de ontvangende waterloop; 
b) de drainagewerken worden niet uitgevoerd in de volgende gebieden of zones : 
1) Speciale Beschermingszones; 
2) de Ramsargebieden; 
3) ruimtelijk kwetsbare gebieden of een effectief overstromingsgevoelig gebied, of op minder dan 50 meter van die gebieden; 
c) voor de drainagewerken is geen milieueffectrapport vereist;  

3° de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar de agrarische bedrijfsgebouwen, inclusief de bedrijfswoning;

4° bijenstallen of bijenkorven;

5° jachtkansels;

6° sleufsilo’s op voorwaarde dat ze worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van het gebouwencomplex van het landbouwbedrijf en er geen afvoer wordt voorzien naar de openbare riolering;

7° de seizoensgebonden opslag van met folie afgedekte groenvoeders op velden buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied.


Art. 5.3. 

Een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de plaatsing van constructies, in agrarisch gebied in de ruime zin als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1° de constructies staan in functie van de professionele teelt van landbouwgewassen of van de professionele veeteelt;

2° het betreft geen gebouwen of verhardingen;

3° de constructies worden opgericht binnen een straal van dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht landbouwbedrijfsgebouw;

4° de van vergunning vrijgestelde constructies zijn niet groter dan 100 vierkante meter per goed;

5° de constructies liggen op minstens vijf meter van de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen;

6° de constructies zijn niet hoger dan tien meter;

7° de constructies liggen niet voor de rooilijn;

8° de handelingen gaan niet gepaard met een ontbossing;

9° de handelingen zijn niet strijdig met stedenbouwkundige voorschriften.



HOOFDSTUK 6 Groen

Art. 6.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor :

1° het vellen van hoogstammige bomen, op voorwaarde dat aan al de volgende vereisten voldaan is :
a) ze maken geen deel uit van een bos;
b) ze liggen in een woongebied in de ruime zin, in een agrarisch gebied in de ruime zin of in een industriegebied in de ruime zin, en niet in een woonparkgebied;
c) ze liggen binnen een straal van maximaal 15 meter rondom de vergunde woning, de vergunde landbouwbedrijfswoning of landbouwbedrijfsgebouwen of de vergunde bedrijfswoning of bedrijfsgebouwen;

2° het vellen van alleenstaande hoogstammige bomen of van enkele bomen in lijnverband omwille van acuut gevaar en na voorafgaande schriftelijke instemming van de burgemeester;

3° het vellen van hoogstammige bomen, gelegen op terreinen waarvoor een door de bevoegde overheid of bevoegde administratie(s) goedgekeurd beheersplan of beheersvisie bestaat op basis van de milieu- en natuurwetgeving, als het vellen van de hoogstammige bomen als activiteit in dat beheersplan of beheersvisie is opgenomen;

4° het vellen van hoogstammige bomen die deel uitmaken van systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, toegepast op een perceel landbouwgrond als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 22 december 2006 houdende inrichting van een gemeenschappelijke identificatie van landbouwers, exploitaties en landbouwgrond in het kader van het meststoffenbeleid en van het landbouwbeleid en waarvan de aanmelding via de verzamelaanvraag en het aanplanten van de bomen is gedaan na 1 juni 2012;

5° het vellen van hoogstammige bomen die geen deel uitmaken van een bos, door of op verzoek van de leidingbeheerder:

a)    in de beschermde of voorbehouden zone aan weerszijden van bestaande ondergrondse vervoersinstallaties voor gas of vloeistof;

b)    in de veiligheidsstrook van 25 meter aan weerszijden van bestaande bovengrondse hoogspanningslijnen;

c)    in de veiligheidsstrook van vijf meter aan weerszijden van bestaande ondergrondse hoogspanningslijnen;

6° het vellen van hoogstammige bomen die geen deel uitmaken van een bos, door of op verzoek van de spoorwegbeheerder, in toepassing van artikel 2 en 4 van de wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen, als aan een van volgende voorwaarden is voldaan:

a)    de hoogstammige bomen zijn gelegen binnen een ruimte van twintig meter van de vrije rand van de bestaande spoorweg;

b)    de hoogstammige bomen zijn hoger dan de afstand tussen de voet van de boom en de vrije rand van de bestaande spoorweg;

7° het vellen van hoogstammige bomen die geen deel uitmaken van een bos, op openbaar domein, mits in de onmiddellijke omgeving in het eerstvolgende plantseizoen een heraanplanting gebeurt.


Art. 6.2.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor volgende handelingen:

1°    het aanleggen of herinrichten van perceelsopritten en perceelsovergangen, inclusief de eventueel hiervoor strikt noodzakelijke inbuizing van grachten;

2°    het aanleggen, inbuizen, openleggen, herprofileren of geheel of gedeeltelijk dempen van grachten voor de detailontwatering van een gebied, voor zover de bodem van de aan te leggen grachten niet dieper is dan 1,5 meter, gemeten vanaf het maaiveld;

3°    het uitvoeren van reliëfwijzigingen van minder dan een meter die de aard en de functie van het terrein niet wijzigen;

4°    het plaatsen of herinrichten van kleinschalige toeristisch-recreatieve infrastructuur zoals zitbanken, picknicktafels, vuilbakken, fietsenrekken, speeltoestellen, infopanelen en infokiosken;

5°    het plaatsen of herinrichten van kleinschalige faunavoorzieningen;

6°    het aanleggen of herinrichten van infiltratie- of buffervoorzieningen met een maximale oppervlakte van 100 vierkante meter;

7°    het aanleggen of herinrichten van poelen in functie van natuur- of landschapsbeheer met een maximale oppervlakte van 100 vierkante meter.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, geldt alleen voor handelingen ter uitvoering van:

1°    een ingesteld landinrichtingsproject als vermeld in artikel 3.1.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;

2°    een ingesteld natuurinrichtingsproject als vermeld in artikel 47 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

3°    een vastgestelde inrichtingsnota als vermeld in artikel 4.2.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;

4°    een project als vermeld in artikel 7.2.5 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;

5°    een nuttig verklaarde ruilverkaveling met toepassing van artikel 11 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet;

6°    een ingestelde gebruiksruil of daarop volgende ruilverkaveling met toepassing van artikel 2 van de wet van 12 juli 1976 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet bij de uitvoering van grote infrastructuurwerken;

7°    een nuttig verklaarde ruilverkaveling met toepassing van artikel 14 van de wet van 10 januari 1978 houdende bijzondere maatregelen inzake ruilverkaveling van landeigendommen in der minne;

8°    een goedgekeurd beheersplan op basis van artikel 43 van het Bosdecreet van 13 juni 1990;

9°    een goedgekeurd beheersplan op basis van artikel 34 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;

10° een goedgekeurd beheersplan zoals bedoeld in artikel 8.1.1. of artikel 8.1.3. van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.


Art. 6.3.


Een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het louter door uitgraving aanleggen van een veedrinkpoel met een maximale oppervlakte van 100 vierkante meter.


HOOFDSTUK 7 Tijdelijke handelingen

Art. 7.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor tijdelijke handelingen nodig voor de uitvoering van vergunde werken, als die handelingen plaatsvinden binnen de werkstrook die afgebakend is in de stedenbouwkundige vergunning of als die handelingen plaatsvinden op openbaar domein.

Een stedenbouwkundige vergunning of een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de tijdelijke plaatsing van verplaatsbare constructies tijdens de uitvoering van vergunde verbouwingen of herbouwingen van gebouwen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

1°    de constructies worden gebruikt om functies in onder te brengen die door de uitvoering van de werken niet meer kunnen plaatsvinden in de te verbouwen of herbouwen gebouwen;

2°    de constructies worden niet langer dan twee jaar geplaatst;

3°    de maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

4° de constructies worden verwijderd binnen dertig dagen nadat de vergunde verbouwde of herbouwde gebouwen in gebruik zijn genomen.



Art. 7.2.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de tijdelijke plaatsing van constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden voldaan is : 

1° op hetzelfde goed wordt een maximale duur van vier periodes van dertig aaneengesloten dagen per kalenderjaar niet overschreden. Op de eerste dag van de plaatsing van de constructie begint de periode van dertig dagen te lopen, ongeacht of de constructie de volle dertig dagen geplaatst blijft. De periodes van dertig dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet; 

2° de plaatsing gebeurt niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied; 

3° de constructies brengen de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang;

4° de plaatsing gaat niet gepaard met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen.

Art. 7.3.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van vier periodes van dertig aaneengesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van dertig dagen te lopen, ongeacht of de functiewijziging de volle dertig dagen gebeurt. De periodes van dertig dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet. 

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, waar op regelmatige basis aan jeugdwerk wordt gedaan, naar tijdelijke overnachtingsplaats voor jeugd, als aan al volgende voorwaarden is voldaan:

1° het jeugdwerk wordt georganiseerd door een lokaal jeugdwerkinitiatief als bedoeld in artikel 9, § 3, tweede lid, van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid;

2° het lokaal jeugdwerkinitiatief is aangesloten bij een landelijk georganiseerde jeugdvereniging, erkend met toepassing van artikel 9, § 2, van het voormelde decreet;

3° het jeugdwerk wordt voornamelijk georganiseerd voor jongeren tot en met zestien jaar.



Art. 7.4.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor tijdelijke reliëfwijzigingen voor de organisatie van sportmanifestaties, als :

1° die maximaal driemaal per jaar worden georganiseerd;

2° die worden georganiseerd in recreatiegebied in de ruime zin, industriegebied in de ruime zin, gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen of agrarisch gebied in de ruime zin;

3° die niet worden georganiseerd :
a) in Speciale Beschermingszones;
b) in de Ramsargebieden;
c) in de als beschermd aangeduide duingebieden of als voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden;
d) in de beschermde landschappen;
e) in ruimtelijk kwetsbare gebieden;

4° het reliëf wordt hersteld in zijn oorspronkelijke staat binnen 10 dagen na de aanvang van de werken.

Art. 7.5.


Een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor het tijdelijk gebruiken van een terrein om op te kamperen in het kader van een evenement of door georganiseerde groepen kampeerders die onder toezicht van een of meer begeleiders staan als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

1°    een maximale duur van vier periodes van dertig aaneengesloten dagen per kalenderjaar wordt niet overschreden. Op de eerste dag van het gebruik begint de periode van dertig dagen te lopen, ongeacht of het gebruik de volle dertig dagen gebeurt. De periodes van dertig dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet;

2°    het terrein ligt niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;

3°    het gebruik brengt de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang;

4° het gebruik gaat niet gepaard met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen.



HOOFDSTUK 8 Wijzigingen van al ingerichte terreinen

Art. 8.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de herinrichting van de volgende al dan niet omheinde terreinen, als er geen gebouwen opgericht worden en als de herinrichting eigen is aan de functie van het terrein :

1° openbare begraafplaatsen,

2° openbare parken, openbare groenzones en publiek toegankelijke dierentuinen;

3° al dan niet openbare terreinen voor recreatie;

4° openbaar spoorwegdomein, als het aantal sporen niet vermeerderd wordt;

5° sportterreinen;

6° terreinen voor waterzuivering, met inbegrip van de installaties;

7° terreinen met ondergrondse of bovengrondse installaties voor de productie, het transport en de distributie van drinkwater, elektriciteit of aardgas;

8° luchthavens als de start- of landingsbaan niet gewijzigd wordt;

9° dienstenzones langs autosnelwegen.

Art. 8.2.

De vrijstelling, vermeld in artikel 8.1, geldt alleen als de handelingen voldoen aan de volgende voorwaarden :

1° de bestaande terreinen, gebouwen, constructies en verhardingen zijn hoofdzakelijk vergund of vergund geacht;

2° het terrein wordt niet uitgebreid en de bestaande bufferzones blijven behouden;

3° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging uitgevoerd;

(...)

5° de handelingen zijn niet gesitueerd in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebied;

6° de handelingen gaan niet gepaard met een ontbossing, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen;

(...)

(...)

Art. 8.3.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor het optrekken van installaties en gebouwen van militair strategisch belang in gebieden die op de plannen van aanleg of op de uitvoeringsplannen aangegeven zijn als militair domein.

Art. 8.4.

 Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor het plaatsen, verplaatsen, wijzigen of vervangen van mobiele openluchtrecreatieve verblijven, ook al zijn zij bestemd om ter plaatse te blijven staan en voor toebehorende installaties, op voorwaarde dat : 
1° de verblijven zijn geplaatst op vergunde openluchtrecreatieve terreinen als vermeld in artikel 2, 10°, van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristische logies;
2° de plaatsing, verplaatsing, wijziging of vervanging is niet strijdig met de vergunning, vermeld in punt 1°. 

In het eerste lid wordt verstaan onder :
1° mobiel openluchtrecreatief verblijf : een verblijf als vermeld in artikel 1, 18°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 tot uitvoering van het decreet van 10 juli 2008 betreffende het toeristisch logies;
2° toebehorende installaties : de aanbouwen, vermeld in artikel 9, 19°, c), 2), van het voormelde besluit, die niet zouden zijn geplaatst als er geen mobiel openluchtrecreatief verblijf was geplaatst en die niet gefundeerd of verankerd zijn in de grond.

Art. 8.5.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor het plaatsen of verplaatsen van één of meer woonwagens, als vermeld in artikel 2, § 1, 33°, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, op een residentieel woonwagenterrein of doortrekkersterrein voor woonwagenbewoners, als vermeld in artikel 1, 4° en 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2000 houdende de subsidiëring van de verwerving, de inrichting, de renovatie en de uitbreiding van woonwagenterreinen voor woonwagenbewoners, op voorwaarde dat het terrein in kwestie vergund of hoofdzakelijk vergund is.

HOOFDSTUK 9 Publiciteit

Art. 9.

Alleen voor de plaatsing van volgende publiciteitsinrichtingen is geen stedenbouwkundige vergunning nodig:

1° de bevestiging aan een vergund gebouw van niet-lichtgevende zaakgebonden publiciteit, met een totale oppervlakte van maximaal 4 vierkante meter;

2° publiciteitsinrichtingen, aangebracht op nutsvoorzieningen die behoren tot het openbaar domein, geplaatst in opdracht van een overheid, op voorwaarde dat de reclame maximaal de helft van de oppervlakte of tijd inneemt;

3° publiciteitsinrichtingen die voortvloeien uit wettelijke of reglementaire bepalingen;

4° publiciteitsinrichtingen die alleen informatie van de overheid bevatten of die deel uitmaken van sensibiliseringscampagnes van de overheid;

5° door de overheid beschikbaar gestelde dragers met het oog op socioculturele en politieke affiche;

6° verkiezingspubliciteit voor een verkiezing van het Europees, Federaal of Vlaams Parlement, of voor provincie-, gemeente- of districtsraadsverkiezingen;

7° publiciteitsinrichtingen, aangebracht op een onroerend goed, waarbij wordt bekendgemaakt dat dit goed te koop of te huur is, op voorwaarde dat de totale maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 4 vierkante meter en dat de publiciteitsinrichting ten laatste 14 dagen na de verhuring of verkoping wordt verwijderd.

HOOFDSTUK 10 Openbaar domein

Art. 10.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de uitvoering van de volgende handelingen op openbaar domein of op een terrein dat na de handelingen tot het openbaar domein zal behoren :

1° de aanleg of wijziging van verhardingen waarvan de oppervlakte 150 vierkante meter of minder bedraagt, met een reliëfwijziging van minder dan 50 cm;

2° het aanbrengen van een andere verharding met een maximale uitbreiding van 150 vierkante meter. De vrijstelling geldt niet als de bestaande weg een aardeweg, grindweg, steengruisweg of kasseiweg is;

3° de aanleg van verhoogde kruispunten, verkeersdrempels en andere verkeersremmende ingrepen binnen de bestaande verhardingsbreedte;

4° gebruikelijke ondergrondse constructies en aansluitingen, zoals installaties voor het transport of de distributie van drinkwater, afvalwater, elektriciteit, aardgas en andere nutsvoorzieningen;

5° gebruikelijke aanhorigheden;

6° technische constructies van algemeen belang met een maximaal volume van 30 kubieke meter en een maximale hoogte van 5 meter;

7° de ondergrondse aanhoging of uitdieping van waterlichamen of de versteviging van oevers, voor zover deze niet gelegen zijn in een ruimtelijk kwetsbaar gebied en het project niet voor komt op bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;

8° waterbeheersingswerkzaamheden die niet zonder acuut gevaar of schade kunnen worden uitgesteld, zoals het doorbreken van waterkeringen bij rechtstreeks overstromingsgevaar;

9° strand- en duinophogingen, strand- en duinverbredingen, het slopen van niet meer gebruikte strandhoofden;

10° de plaatsing van seizoensgebonden, niet-overdekte terrassen bij horecazaken;

11° kleinschalige faunavoorzieningen langs wegen, spoorwegen en waterlopen;

12° de plaatsing van glasbollen, kledingcontainers en andere boven- of ondergrondse houders voor de selectieve verzameling en ophaling van afval, als de gezamenlijke oppervlakte kleiner is dan twintig vierkante meter.

HOOFDSTUK 11 Algemeen belang

Art. 11.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor door de overheid of in opdracht van de overheid geplaatste kleinschalige technische infrastructuur, om gegevens over gezondheids-, milieu- of veiligheidsaspecten te verzamelen of bekend te maken.

Art. 11.2.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor door de overheid of in opdracht van de overheid geplaatste standbeelden, gedenktekens en andere artistieke werken. Een stedenbouwkundige vergunning is ook niet nodig voor de plaatsing of verbouwing van alleenstaande veldkapelletjes of andere gebruikelijke uitingen van volksdevotie met een maximale oppervlakte van 6 vierkante meter en een maximale hoogte van 6 meter.

Art. 11.3.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende archeologische opgravingen of archeologische vooronderzoeken als binnen twee jaar na de start van de opgravingen of het vooronderzoek het terrein hersteld wordt in zijn oorspronkelijke staat, of een aanvang genomen wordt met stedenbouwkundig vergunde handelingen:

1° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, gemeld overeenkomstig artikel 5.4.6 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;

2° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een archeologienota bekrachtigd is overeenkomstig artikel 5.4.13 van het voormelde decreet;

3° archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;

4° archeologische opgravingen waarvoor een archeologienota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.9 van het voormelde decreet;

5° archeologische opgravingen waarvoor een nota is bekrachtigd overeenkomstig artikel 5.4.17 van het voormelde decreet;

6° archeologische opgravingen waarvoor een toelating is verkregen overeenkomstig artikel 5.5.3 van het voormelde decreet;

7° archeologische opgravingen of graafwerken met de bedoeling archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen waarvoor een vergunning is verkregen overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van archeologisch patrimonium.

Art. 11.4.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor afsluitingen met een maximumhoogte van 3 meter, die bestaan uit hekwerken, palen of draad, opgericht ter afsluiting van gebouwen, terreinen of constructies van algemeen belang.

Art. 11.5.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor :

1° het op dezelfde plaats geheel of gedeeltelijk vervangen van een vergunde pyloon of mast door een nieuwe pyloon of mast die even hoog is of lager, en die er kennelijk hetzelfde uitziet als de vergunde pyloon of mast;

2° het op dezelfde plaats geheel of gedeeltelijk vervangen van een vergunde windturbine voor de productie van elektriciteit door een nieuwe windturbine die even hoog is of lager, en met wieken die even lang zijn of korter, en die er kennelijk hetzelfde uitziet als de vergunde windturbine;

3° het op dezelfde plaats geheel of gedeeltelijk vervangen van een bestaande (...) installatie met een maximaal volume van 30 kubieke meter door een nieuwe (...) installatie met hetzelfde of een kleiner omschreven volume.

Art. 11.6.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor handelingen aan of met betrekking tot een bestaande hoogspanningslijn als de dragende structuur ongewijzigd blijft, onverminderd de toepassing van artikel 11.5.

Art. 11.7.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de aanleg van de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar installaties van algemeen belang.

Art. 11.8.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende handelingen die betrekking hebben op de bodemsanering, als ze opgenomen zijn in een conform verklaard bodemsaneringsproject en als er geen verhardingen worden aangelegd :

1° het plaatsen, veranderen of verwijderen van ondergrondse constructies of installaties;

2° het verwijderen en aanvullen van grond tot op de hoogte van het oorspronkelijke maaiveld;

3° het gedurende een periode van minder dan 6 maanden plaatsen van bovengrondse constructies of installaties.

Art. 11.9.

De vrijstelling, vermeld in artikel 11.1, tot en met artikel 11.8. geldt enkel voor zover deze handelingen niet niet voor komen op bijlage I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage.

HOOFDSTUK 12 Telecommunicatie

Art. 12.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende handelingen met betrekking tot zend- en ontvangstinstallaties voor telecommunicatie :

1° de plaatsing van de volledige installatie, binnen in bestaande gebouwen of constructies. In voorkomend geval wordt de zend- en ontvangstinstallatie geplaatst achter materialen die er hetzelfde uitzien als de bestaande materialen, maar die radiogolven doorlaten;

2° de plaatsing van een installatie voor telecommunicatie aan de buitenkant van bestaande gebouwen of constructies, in de kleur van de gevel of de constructie, of in een neutrale, onopvallende kleur, als de installatie niet boven het gebouw of de constructie uitsteekt;

3° de plaatsing van een installatie op een bestaand gebouw gelegen in een industriegebied in de ruime zin. De totale hoogte van de dragende structuur bedraagt maximaal 5 meter boven het gebouw. De bijbehorende technische installatie wordt ondergebracht in het gebouw, ondergronds of op het dak;

4° de plaatsing van een installatie op een bestaande vergunde pyloon of mast op voorwaarde dat de hoogte niet toeneemt en de bijbehorende technische installatie ondergronds geplaatst wordt of onmiddellijk aansluit bij de pyloon of mast;

5° de plaatsing van een installatie aan een bestaande vergunde hoogspanningspyloon, op voorwaarde dat de hoogte met maximaal vijf meter toeneemt en de bijbehorende technische installatie ondergronds geplaatst wordt of onmiddellijk aansluit bij de pyloon;

6° de plaatsing van installaties op bestaande verlichtingspalen, met inbegrip van de vervanging ervan, op openbaar domein, op voorwaarde dat de installatie niet meer dan vijf meter boven de verlichtingsarmatuur of boven de bestaande infrastructuur uitsteekt;

7° de plaatsing van installaties en constructies ter verzekering van de stabiliteit en veiligheid bij bestaande installaties;

8° de plaatsing op de grond van installaties met een maximaal volume van 2,5 kubieke meter per openbare telecommunicatie-operator.

Art. 12.2.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de plaatsing van de volgende schotelantennes :

1° een schotelantenne met een maximale diameter van 80 centimeter, geplaatst op hellende daken achter de dakrand of tegen de achtergevel van gebouwen, in de kleur van de gevel of in een neutrale, onopvallende kleur;

2° een schotelantenne met een maximale diameter van 120 centimeter, geplaatst op een plat dak, op voorwaarde dat de hoogte beperkt blijft tot 150 centimeter;

3° een schotelantenne met een maximale diameter van 120 centimeter, in de achtertuin, op voorwaarde dat de hoogte beperkt blijft tot 150 centimeter.

Art. 12.3.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de plaatsing op platte daken van allerlei (...) installaties, die geen gebouwen of delen van gebouwen zijn, met een maximale hoogte van drie meter, op voorwaarde dat de hoogte van de (...) installatie op elk punt boven de dakrand kleiner is dan de afstand tot de dakrand.


Art. 12.4.


Een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor de plaatsing van communicatiekabels, leidingen en bijbehorende aanhorigheden zoals aansluitdozen aan de buitenkant van bestaande gebouwen, in de kleur van de gevel of in een neutrale, onopvallende kleur, als de installatie niet boven het gebouw of de constructie uitsteekt.

HOOFDSTUK 12/1 Reliëfwijzigingen

Art. 12/1.1.

Een stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor reliëfwijzigingen als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

1°    het terrein ligt niet in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied;

2°    de aard of functie van het terrein wijzigt niet;

3°    het volume van de reliëfwijziging is kleiner dan dertig kubieke meter per goed;

4°    de hoogte of diepte van de reliëfwijziging is op elk punt kleiner dan een halve meter;

5° de reliëfwijziging strekt niet tot het geheel of gedeeltelijk dempen van grachten of waterlopen.


HOOFDSTUK 13 Afbraak

Art. 13.1.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor het slopen of verwijderen van installaties of constructies die vallen onder de bepalingen van dit besluit.

Art. 13.2.

Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volledige afbraak van vrijstaande bouwwerken of constructies, op voorwaarde dat aan al de volgende vereisten voldaan is :
1° het betreft geen kleine elementen en constructies, geïsoleerd of deel uitmakend van een geheel, die van belang zijn voor de kwaliteit van de leefomgeving, een volkskundige, historische of esthetische waarde hebben, als referentie dienen voor de bevolking van een buurt of wijk, of bijdragen tot het gevoel van een plaatselijke bevolking tot een bepaalde plek te behoren, zoals fonteinen, kiosken, pompen, putten, kruisen, calvaries, veldkapellen, standbeelden, wegwijzers, schandpalen, grenspalen, mijlpalen, lantaarnpalen, uurwerken, klokkenspelen, zonnewijzers, hekkens, omheiningsmuren, luifels, graven, herkenningstekens van merkwaardige gebeurtenissen uit het verleden, balies, straatmeubilair, waterkunstwerkjes, bakhuizen, houtskeletbouw, koetshuizen, oranjerieën, priëlen, ijskelders;
2° het betreft geen gebouwen of constructies die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundig erfgoed, vastgesteld met toepassing van artikel 4.1.1 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed;
3° de grondoppervlakte bedraagt minder dan 100 vierkante meter.

HOOFDSTUK 14 Wijzigingsbepalingen

Art. 14.1.

In het opschrift van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is, worden de woorden « en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is » opgeheven.

Art. 14.2.

In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven :
1° artikel 1, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 april 2002 en 1 september 2006;
2° artikel 3, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 26 april 2002, 1 september 2006, 7 maart 2008 en 5 september 2008;
3° artikel 4, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006.

Art. 14.3.

In artikel 3/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de handelingen in de zin van artikel 4.1.1, 5°, artikel 4.4.7, § 2, en artikel 4.7.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 14.4.

In artikel 1/1, 3°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect, vernummerd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 mei 2009, wordt het getal « 30 » vervangen door het getal « 40 ».

HOOFDSTUK 15 Slotbepalingen

Art. 15.1.

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2010.

Art. 15.2.

De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.



Lees ook het verslag aan de Vlaamse Regering (2010)




 Afdrukken  
 © 2016 Ruimte Vlaanderen -