directe link naar Vlaamse Codex

Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

 Afdrukken  

bvr 16/7/2010 b.s. 10/9/2010
wijz. bvr 28/10/2010   b.s. 15/12/2010
wijz. bvr 12/7/2013   b.s. 22/8/2013
wijz. bvr 4/4/2014   b.s. 15/5/2014
wijz. bvr 16/05/2014   b.s. 27/10/2014
wijz. bvr 27/2/2015   b.s. 21/4/2015
wijz. bvr 27/11/2015   b.s. 23/2/2016
wijz. bvr 6/1/2016   b.s. 5/2/2016
wijz. bvr 15/7/2016   b.s. 19/9/2016

De Vlaamse Regering heeft op 15 juli 2016 een wijzigingsbesluit definitief goedgekeurd. Het wijzigt:

- de handelingen die vrijgesteld zijn van stedenbouwkundige vergunning

- de stedenbouwkundige handelingen die gemeld kunnen worden

- het toepassingsgebied van de gewestelijke verordening "hemelwater".

De wijzigingen treden in werking op 29 september 2016. De wijzigingen zijn in onderstaande tekst in rood aangebracht.

Lees het verslag aan de Vlaamse Regering bij deze wijzigingen (WORD)


HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Art. 1.
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :

1° achtergevel : gevel die geen voorgevel of zijgevel is;

2° achtertuin : tuingedeelte van het goed dat geen voortuin of zijtuin is;

3° het goed : het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waarop de handelingen betrekking hebben, of, voor de percelen zonder kadastraal nummer, de grond of de gronden waarop de handelingen betrekking hebben;

4° industriegebied in de ruime zin : elk gebied, bestemd voor industrie en ambacht, ook als het onderworpen is aan bijzondere voorwaarden;

5° voorgevel : elke gevel gericht op de voorliggende weg, met uitzondering van garagewegen of voetwegen;

6° voorgevellijn : de lijn die gevormd wordt door de voorgevel of voorgevels door te trekken tot op de zijgrenzen van het goed;

7° voortuin : gedeelte van het goed dat voor de voorgevellijn van het hoofdgebouw ligt;

8° zijgevel : gevel aan de zijkant van het hoofdgebouw;

9° zijtuin : gedeelte van het goed dat ter hoogte van een zijgevel gelegen is.


HOOFDSTUK 2 Aanwijzing van meldingsplichtige handelingen met toepassing van artikel 4.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

Art. 2.
Voor handelingen met stabiliteitswerken die uitgevoerd worden binnen in hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden voldaan is :

1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd.

Art. 3.
Voor handelingen met stabiliteitswerken die uitgevoerd worden aan zijgevels, achtergevels en daken van hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;

3° het fysiek bouwvolume en bouwoppervlakte blijven ongewijzigd.

Art. 4.
Voor de oprichting van bijgebouwen die aangebouwd zijn aan de hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woning, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan de volgende voorwaarden voldaan is.

1° er wordt geen vergunningsplichtige functiewijziging doorgevoerd;

2° het aantal woongelegenheden blijft ongewijzigd;

3° de totale oppervlakte van de bestaande en de op te richten aangebouwde bijgebouwen bedraagt maximaal 40 vierkante meter;

4° de gebouwen worden geplaatst in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 2 meter van de perceelsgrenzen;

5° de hoogte is beperkt tot 4 meter.

In afwijking van het eerste lid, 4°, mag, als het hoofdgebouw is opgetrokken op of tegen de perceelsgrens, het aangebouwde bijgebouw ook opgetrokken worden op of tegen de perceelsgrens, tegen een bestaand aanpalend gebouw, als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De bouwdiepte van het nieuw op te richten aangebouwde bijgebouw overschrijdt de bouwdiepte van het aanpalende gebouw niet.

Voor de toepassing van dit artikel worden als bijgebouwen beschouwd : de fysiek aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of steun vinden bij het hoofdgebouw.

Art. 5.
§1. Voor de plaatsing van constructies wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1°    het betreft geen gebouwen of verhardingen;

2°    de constructies staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;

3°    de constructies worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;

4°    de constructies zijn niet hoger dan twintig meter;

5°    de van vergunning vrijgestelde en gemelde constructies samen zijn niet groter dan 300 vierkante meter;

6°    de constructies liggen op minstens:
a)    dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b)    vijf meter van alle perceelsgrenzen;

7°    de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden.
 
§2. Voor het aanleggen of uitbreiden van verhardingen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1°    de verhardingen staan in functie van de bestaande industrie en bedrijvigheid;

2°    voor de plaats waar de verhardingen worden aangelegd bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

3°    de verhardingen worden opgericht binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding;

4°    de grondoppervlakte van de van vergunning vrijgestelde en gemelde verhardingen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de verharding;

5°    de verhardingen liggen op minstens:
a)    tien meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b)    drie meter van alle perceelsgrenzen.
 
§3. Voor het oprichten van gebouwen wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1°    het gebouw heeft de functie industrie en bedrijvigheid, staat in relatie tot de bestaande industrie en bedrijvigheid en betreft geen bedrijfswoning;

2°    voor de plaats waar het gebouw wordt opgericht bestaat een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan;

3°    het gebouw ligt binnen een straal van vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw;

4°    in het geval het gebouw aangebouwd wordt aan een bestaand, vergund geacht of vergund gebouw, blijven de voorwaarden met betrekking tot brandcompartimentering van toepassing; zoniet bedraagt de afstand tussen het gebouw en andere gebouwen minstens vijf meter;

5°    de grondoppervlakte van de vergunningsvrije en gemelde gebouwen samen is niet groter dan 500 vierkante meter en maximaal 100 percent van de reeds vergunde grondoppervlakte van de gebouwen;

6°    het gebouw ligt op minstens:
a)    dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied;
b)    vijf meter van alle perceelsgrenzen;

7°    het gebouw is niet hoger dan één bouwlaag en dan twintig meter;

8°    de bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden;

9°    de brandbelasting van het gebouw bedraagt minder dan 350 MJ/m2.
 
§4. De regeling, vermeld in de paragrafen 1, 2 en 3, geldt alleen als de handelingen voldoen aan al de volgende voorwaarden:

1°    ze liggen binnen de grenzen van de zeehavens van Oostende, Zeebrugge, Gent en Antwerpen, zoals afgebakend in een ruimtelijk uitvoeringsplan of bij gebrek daaraan, afgebakend conform artikel 3 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;

2°    ze liggen niet voor de rooilijn;

3°    ze gaan niet gepaard met een ontbossing;

4°    ze zijn niet strijdig met stedenbouwkundige voorschriften.

Artikel 5/1. 
§1. Voor het opsplitsen van een woning of voor het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of een alleenstaande, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden voldaan is:

1°    in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd;

2°    de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid;

3°    de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt maximaal één derde uit van het bouwvolume van de volledige woning;

4°    de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van:
a)    hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, §1, vierde lid, en artikel 8, §1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b)    hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;

5°    de huisvesting is tijdelijk voor een totale duur van maximaal drie jaar per goed;

6°    de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.

§2. Het beëindigen van het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het aantal woongelegenheden, bedoeld in paragraaf 1, is eveneens meldingsplichtig.
 
Art. 5/2. 
Voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt en voor het tijdelijk plaatsen van verplaatsbare constructies die aan deze bewoning aanverwante functies herbergen, wordt de vergunningsplicht vervangen door een verplichte melding als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:

1° de plaatsing gebeurt door of in opdracht van de overheid met het oog op het huisvesten van:
a)    hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, §1, vierde lid, en artikel 8, §1, van de wet betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen van 12 januari 2007 de opvang van Fedasil moeten verlaten;
b)    hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;

2° de plaatsing is tijdelijk voor een totale duur van maximaal:
a)    drie jaar per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
b)    twee jaar per goed in alle andere gevallen;

3° de verplaatsbare constructies hebben een gezamenlijke maximale oppervlakte van:

a)    1000 vierkante meter per goed als het goed bestemd is als militair domein of als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;
b)    500 vierkante meter per goed in alle andere gevallen;

4° de plaatsing gebeurt niet in ruimtelijk kwetsbaar, erosiegevoelig of effectief overstromingsgevoelig gebied;

5° de afstand tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal tien meter.

Art. 6.
De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg of verkavelingsvergunningen, of met de uitdrukkelijke voorwaarden van stedenbouwkundige vergunningen, met behoud van de toepassing van de andere regelgeving die van toepassing is.

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen, te verrichten op percelen waarop voorlopig of definitief beschermde monumenten aanwezig zijn, in voorlopig of definitief beschermde cultuurhistorische landschappen, in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten, of in voorlopig of definitief beschermde archeologische sites.

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden in een afgebakende oeverzone als vermeld in artikel 3, § 2, 43°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, noch in de 5 meter brede strook, te rekenen vanaf de bovenste rand van het talud van ingedeelde onbevaarbare en bevaarbare waterlopen.

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden niet voor handelingen die uitgevoerd worden voor de rooilijn of in een achteruitbouwstrook.

HOOFDSTUK 3 Indienings- en betekeningswijze van de melding

Art. 7.
§ 1. De melding, vermeld in artikel 2, 3 en 4, wordt gedaan met het formulier, gevoegd als bijlage I bij dit besluit.

De melding, bedoeld in artikel 5, wordt gedaan met het formulier, gevoegd als bijlage II bij dit besluit.

De melding, bedoeld in artikel 5/1 en artikel 5/2, wordt gedaan met het formulier, gevoegd als bijlage III bij dit besluit.

In afwijking van het eerste en het tweede lid, kan de melding ingediend worden via het omgevingsloket, vermeld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 april 2014 houdende de digitalisering van het ruimtelijke vergunningenbeleid conform de bepalingen van het voormelde besluit.

 § 2. Het dossier van de melding bevat één exemplaar van de stukken, voorgeschreven door het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, met uitzondering van het aanvraagformulier.

HOOFDSTUK 4 Slotbepalingen

Art. 8.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is gemachtigd om de bijlagen bij dit besluit te wijzigen.

Art. 9.
Dit besluit treedt in werking op 1 december 2010.

Art. 10.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.


 






Lees ook het verslag aan de Vlaamse Regering
 Afdrukken  
 © 2016 Ruimte Vlaanderen -