Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Taken na de beslissing van het schepencollege (stedenbouwkundige vergunning)

Instructies voor dossiers ingediend vanaf 1/9/2009

"Art. 4.7.19. §1. Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt binnen een ordetermijn van tien dagen en per beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager en aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ontvangt ook een afschrift van het vergunningendossier, behoudens indien hij omtrent de vergunningsaanvraag een advies heeft verstrekt.

Een afschrift van de uitdrukkelijke beslissing of een kennisgeving van de stilzwijgende beslissing wordt tevens bezorgd aan:

1° de adviserende instanties, vermeld in artikel 4.7.16, §1, eerste lid;

2° de toezichthoudende architect, indien deze daarom verzoekt.

De Vlaamse Regering bepaalt de gevallen waarin ontvoogde gemeenten geen afschriften of kennisgevingen moeten overmaken aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar omwille van de beperkte ruimtelijke impact van de vergunde handelingen of de eenvoud van het dossier."

"§2. Op bevel van de bevoegde burgemeester wordt de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing gedurende een periode van dertig dagen aangeplakt op de plaats waarop de vergunningsaanvraag betrekking heeft.

De bevoegde burgemeester waakt er over dat tot aanplakking wordt overgegaan binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de datum van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen.

De burgemeester of zijn gemachtigde attesteert de aanplakking. Op eenvoudig verzoek levert het gemeentebestuur een gewaarmerkt afschrift van dit attest af aan elke belanghebbende, vermeld in artikel 4.7.21, §2."

De uitdrukkelijke beslissing over een vergunningsaanvraag moet volledig worden aangeplakt. In onze ogen laat de tekst van de geciteerde bepalingen geen andere interpretatie toe. Artikel 52, § 4 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, nam genoegen met het aanplakken van de mededeling door de aanvrager dat de vergunning was afgegeven. Een dergelijke mededeling voldoet niet aan de huidige regeling die de aanplakking van de beslissing zelf vereist. De sanctie op een onvolledige aanplakking is dat de beroepstermijn van 30 dagen geen aanvang neemt.

De regelgeving laat in het midden wie aanplakt. Dat kan zowel een gemeentelijk personeelslid zijn als de aanvrager zelf.

Indien de gemeente ervoor kiest om de aanvrager zelf te laten aanplakken wordt best een brief gestuurd naar de aanvrager waarin is opgenomen:

1) uitleg over de aanplakkingsvereisten Geef hierin aan dat de aanplakking binnen 10 dagen nadat het college over de aanvraag heeft beslist, moet worden aangeplakt op een goed zichtbare plek aan het pand of op het perceel en dat de aanplakking gedurende dertig dagen er goed zichtbaar moet blijven hangen om zo iedereen in de gelegenheid te stellen beroep aan te tekenen. Geef ook aan dat de sanctie is dat de beroepstermijn in hoofde van derden-belanghebbenden niet gaat lopen, en dat de aanvrager er dus zelf belang bij heeft de beslissing correct uit te hangen.

2) twee verklaringen op eer. De eerste verklaring dient direct na aanplakking te worden teruggestuurd naar de gemeente. Deze verklaring omvat de belofte dat de beslissing gedurende 30 dagen volgend op datum X zal uitgehangen. X is de datum die de aanvrager zelf invult. De aanvrager zelf dient uiteindelijk zelf deze datum in te vullen. De tweede verklaring wordt na afloop opgestuurd, waarin de verkrijger van de vergunning verklaart dat de beslissing volgens de bepalingen heeft uitgehangen.


Een model van brief vindt u hier.

"§3. Van een vergunning mag gebruik worden gemaakt als de aanvrager niet binnen vijfendertig dagen, te rekenen vanaf de dag van aanplakking, op de hoogte werd gebracht van de instelling van een administratief beroep. Indien een administratief beroep wordt ingesteld, geldt artikel 4.7.21, §8. Deze bepaling geldt onverminderd artikel 4.5.1, §2, van deze codex en artikel 4.2.6, §2, eerste lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid."

"§4. Een door de gemeente gewaarmerkt afschrift van de vergunning en het bijhorende dossier ligt tijdens de duur van de werkzaamheden in uitvoering van de vergunning ter beschikking op de plaats die het voorwerp uitmaakt van de vergunning."