Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Zoek een publicatie

Publicaties

Concepten voor de omkadering en afstemming van verschillende instrumenten voor de uitvoering van een ruimtelijk planningsproces

Bronverwijzing

Claeys M., De Coutere S., De Roo K., Leinfelder H., Van de Genachte G. (2015)  Concepten voor de omkadering en afstemming van verschillende instrumenten voor de uitvoering van een ruimtelijk planningsproces, uitgevoerd in opdracht van Ruimte Vlaanderen. (rapport met bijlagen: deelnemers stuurgroep, synthese interviews, verslag workshops)

English summary at the bottom of this page.

 

Samenvatting

Het onderzoek levert concepten voor een transparante, standvastige en rechtszekere afstemming tussen verschillende instrumenten ter uitvoering van een ruimtelijk planningsproces en in het bijzonder in relatie tot het ruimtelijk uitvoeringsplan. Deze concepten zijn ontwikkeld door de actuele planningspraktijken in vijf landen of regio’s (Nederland, Brussels Hoofdstedelijk gewest, Frankrijk, Duitsland – Brandenburg/Berlin, Finland) met elkaar te vergelijken en de Vlaamse praktijk hieraan te toetsen. Het onderzoek gebeurde op basis van deskresearch, maar is vooral gebaseerd op de inzichten die zijn verkregen uit interviews en brainstorm- en workshopmomenten met experten uit de vijf regio’s.

Integratie van sectorale thema's in bestemmingsplannen

Uit de analyse van de vijf regio's en de gevoerde interviews zijn vier thema’s relevant voor de integratie van sectorale thema’s in bestemmingsplannen gedistilleerd, namelijk:

Inhoud van een bestemmingsplan

Er zijn in alle regio's regels over wat al dan niet kan worden opgenomen in een bestemmingsplan. In alle regio’s wordt ook de functionele bestemming van de grond in de plannen opgenomen. Voor het overige kunnen de inhoud en detailgraad van de bestemmingsplannen behoorlijk verschillen tussen de regio's. De inhoud van bestemmingsplannen wordt niet alleen door wet of standaarden bepaald, maar wordt ook deels bepaald door de invulling die wordt gegeven aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’, of door wat als ‘ruimtelijk relevant’ wordt beschouwd. De invulling van het begrip ‘ruimtelijk relevant’ verschilt van regio tot regio en wordt vaak iets ruimer ingevuld als ‘gerelateerd aan de omgeving’.

Verbintenissen

In het totstandkomingsproces van het bestemmingsplan wordt in een aantal regio’s met verbintenissen: contracten, convenanten, overeenkomsten, … gewerkt om (sectorale) maatregelen, die niet in het bestemmingsplan kunnen worden geregeld, toch juridisch te verankeren. Deze verbintenissen worden zowel voorafgaand aan, tijdens of na beëindigen van het planningsproces afgesloten. In de meeste regio’s zijn verbintenissen in de wetgeving opgenomen als een officieel instrument van de ruimtelijke planning.

Sectorplanning heeft eigen instrumenten

In bijna alle regio’s (BR niet) bestaat er voor sectorale besluitvorming met een duidelijke ruimtelijke dimensie (zoals infrastructuurprojecten) een beslissingsprocedure die niet onder de ruimtelijke planning valt. Deze beslissingsprocedure kan resulteren in ‘een plangoedkeuringsbesluit’ dat de realisatie van het project mogelijk maakt en de aanpassing van alle noodzakelijke documenten oplegt (o.a. bestemmingsplan, contracten, …). 

Meer integrale planning

In een aantal regio’s is de betrokkenheid van actoren in het totstandkomingsproces van een bestemmingsplan groot. Publieke consultatie en participatie vindt vaak al vroeg in het proces plaats en laat zo toe om draagvlak voor het project bij aanvang in te schatten.

Eigenheid van het Vlaamse planningssysteem

De analyse van de planningssystemen en interviews in de verschillende regio’s leidde naast bovenstaande leerpunten, ook tot het besef dat er een aantal duidelijke verschilpunten zijn met de Vlaamse ruimtelijke planning. Het planningssysteem in Vlaanderen kent een aantal specifieke karakteristieken, die het duidelijk anders maken dan de planningssystemen in de andere onderzochte regio’s.

  1. Van de onderzochte regio’s is Vlaanderen, samen met Brussel, de enige regio met een gebiedsdekkend, statisch bestemmingsplan op nationaal niveau, het gewestplan.
  2. In Vlaanderen is er eigenlijk enkel in 1997 een ruimtelijke langetermijnvisie opgemaakt op nationaal niveau (RSV), weliswaar met beperkte herzieningen in 2004 en 2011. In het begin van de jaren 2000 was er wel een grotere focus op het strategische karakter van de ruimtelijke planning. Vanaf 2005 komen de planningsprocessen, ook deze die voortvloeiden uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, steeds meer los te staan van de langetermijnvisie en de grotere principes. Vandaag overheerst terug de ‘projectmodus’ of ‘gebiedsontwikkeling’ op de langetermijnvisievorming. Het gebrek aan een hedendaags kaderstellend ruimtelijk beleidsplan werkt het ‘ad hoc’-beleid en de focus op projectmatige ontwikkelingen op Vlaams niveau in de hand.
  3. In geen enkele van de onderzochte regio’s worden er onafhankelijk van elkaar op alle planningsniveaus bestemmingsplannen opgemaakt. Zeker op nationaal niveau worden er in de andere regio’s geen bestemmingsplannen opgemaakt. Soms bestaan er regionale verordenende plannen (Brussel, Finland). Maar het opmaken van bestemmingsplannen gebeurt in de meeste regio’s enkel op het lokale planningsniveau.
Vertaling naar Vlaanderen in drie bruikbare concepten

De vier leerpunten die we meenemen uit de analyse van de planningssystemen en uit de gevoerde interviews in de regio’s zijn door het specifieke karakter van de Vlaamse planning niet rechtstreeks te vertalen in pasklare concepten. De vier leerpunten moeten als het ware door de ‘zeef van de Vlaamse planning’ worden gehaald om tot drie voor Vlaanderen bruikbare concepten te leiden:

Concept 1

In vergelijking met wat het RUP vandaag kan, worden de mogelijkheden van het RUP uitgebreid. Alle elementen, maatregelen en acties die relevant worden geacht voor het ruimtelijk planningsproces, kunnen in het ‘dik RUP’ worden opgenomen. 

Concept 2

Het tweede concept behoudt het RUP zoals we het vandaag kennen, maar ontwikkelt ook een nieuw uitvoeringsinstrument binnen de ruimtelijke planning: de ‘verbintenissen’. In een ‘verbintenis’ kunnen actieprogramma’s, verantwoordelijkheden, financiële engagementen, … worden opgenomen. Het concept van het ‘aangevuld RUP’ maakt het dus mogelijk om meer aspecten te verankeren en om dit ook te doen in een document dat los staat van (hoewel het uiteraard wel gerelateerd is aan) het RUP.

Concept 3

In plaats van het RUP op te laden en zoveel mogelijk elementen in het RUP zelf te verankeren, wordt het RUP ‘afgeslankt’. Het RUP wordt teruggebracht tot de essentie van een ‘bestemmingsplan’ en is enkel gericht op het aanpassen van de bestemmingen van het gewestplan en het bieden van een kader voor vergunningsplichtige handelingen. Het idee achter het ‘slank RUP’ is dat, net door de mogelijkheden van het RUP te beperken, er meer nadruk komt te liggen op een degelijke ruimtelijke procesvoering in plaats van op het vormgeven van het product ‘RUP’. De afweging van stakeholdersbelangen en sectorale maatregelen gebeurt in het concept van het ‘slank RUP met omgevingsbesluit’ niet op het niveau van het RUP, maar wel binnen een getrapt/getrechterd ruimtelijk planningsproces. Voor alle ruimtelijk processen zou een getrapte besluitvorming kunnen worden uitgewerkt, waarbij de fases van het ruimtelijk planningsproces worden afgesloten met een ‘omgevingsbesluit’. Dit omgevingsbesluit is geen plandocument. Het omgevingsbesluit is een beleidsbeslissing, een politiek besluit dat een fase van een ruimtelijk planningsproces afsluit.

Summary

Claeys M., De Coutere S., De Roo K., Leinfelder H., Van de Genachte G. (2015) Concepts for the framework and adaptation of several instruments in the implementation phase of a (spatial) planning process. Excecutive summary. Commissioned by the Spatial Planning Department of the Flemish Government. (pdf)

The purpose of the study is to gain insight into potential concepts for a transparent, firm and more legally certain coordination between different instruments for implementing a spatial planning process and, in particular, in relation to the land-use plan. Three concepts are developped by studying the current planning practice in five countries or regions (Netherlands, Brussels-Capital Region, France, Germany - Brandenburg/Berlin, Finland). This is done on the basis of desk research, but mainly also of insights acquired during interviews and brainstorming and workshop sessions (report of the workshops) with experts from these five regions.