Logo Vlaamse Overheid en Ruimtelijke Ordening

Zoek een publicatie

Publicaties

Energielandschappen

Bronverwijzing

De studie 'energielandschappen' werd uitgevoerd door Posad 3E, Universiteit Gent en Resourcedesign i.h.k.v. Labo Ruimte en in opdracht van het Team Vlaams Bouwmeester, Ruimte Vlaanderen, VITO (Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek), VLM (Vlaamse Landmaatschappij) en VEA (Vlaams Energieagentschap).

 

Samenvatting

De studie 'energielandschappen' is een eerste, ontwerpmatige oefening  om na te gaan in welke mate ons landschap – bebouwd of onbebouwd – potentieel heeft om bij te dragen aan de opgave voor energietransitie. De studie toont aan dat die transitie, de omschakeling van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energiebronnen, in grote mate ook een ruimtelijk vraagstuk is. Gezien de beperkte beschikbare ruimte in Vlaanderen, zullen we energiesystemen moeten verweven met andere functies en ze integreren in ons bebouwde landschap. Omdat de koppeling van gebruikers en producenten een leidend principe is, biedt de energieopgave bovendien ook een kans om een duurzamer en collectiever ruimtegebruik te stimuleren.

 

Ruimtelijke benadering van 'energielandschappen'

Twee mogelijke ‘ruimtelijke’ benaderingen van het begrip ‘energielandschappen’ zijn denkbaar. In een eerste benadering wordt geprobeerd het energielandschap duidelijk te definiëren of af te bakenen als een op zich staande entiteit waarvoor ruimte wordt aangesneden. In een tweede benadering worden energiesystemen geïntegreerd in het bebouwde landschap en verweven met andere functies. Gezien de beperkte beschikbaarheid van ruimte als grondstof, spreekt het voor zich dat we naar geïntegreerde oplossingen moeten streven.

 

Een van de kernboodschappen uit het onderzoek ‘Energielandschappen’ is dat we de loutere ‘toepassing van energie op het landschap’ zullen moeten overstijgen, dat we af moeten van het idee van afbakenen: energie mag niet een zoveelste bestemming of ruimteclaim worden naast de andere. Uit een eerste snelle kwantitatieve analyse bleek immers dat het realiseren van 100% hernieuwbare energie, met de huidige technologie en op basis van de huidige vraag in Vlaanderen, een enorm ruimtelijk beslag zou leggen op dat landschap. De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dubbel: enerzijds is er nood aan verder studiewerk en nieuwe strategieën voor een reductie aan de vraagzijde, anderzijds zullen we in het energieaanbod op zoek moeten naar oplossingen die uitgaan van een gedeeld ruimtegebruik en gekoppelde belangen.

Energielandschapskaart op basis van potenties en restricties

In een eerste oefening hebben de ontwerpers (een consortium van Posad, Universiteit Gent, Resource Design en 3E) geprobeerd de mogelijkheden voor hernieuwbare energie in kaart te brengen door per landschap na te gaan welke hernieuwbare bronnen er welk potentieel hebben. Vlaanderen wordt daarbij opgedeeld in een grid van 1 km², waarbij voor elke cel in het raster het aandeel van zeven gedefinieerde landschapstypes wordt bepaald. De potentie van een bepaalde hernieuwbare energiebron is verschillend per regio in Vlaanderen (zo is er bijvoorbeeld meer wind aan zee), en verschilt ook naargelang van het landschapstype (zo is de inplanting van windmolens minder evident in bebouwd landschap). De combinatie van het potentieel van de energiebron en het potentieel van het landschap leidt tot een ‘potentiekaart’ die de maximale opbrengst per km² weergeeft. Omdat er ook wettelijke of andere restricties zijn (bv. geen windturbines in natuurgebied, geen geothermiecentrales in waterwingebieden) wordt die potentiekaart gecombineerd met een restrictiekaart om tot de uiteindelijke energielandschapskaart te komen.

 

De energielandschapskaart toont rudimentair welke gebieden geschikt zijn voor de plaatsing van windturbines, zonnepanelen of biomassa. Maar het blijkt duidelijk dat de kaart slechts een benadering is van de werkelijke potentie. Het onderzoek gaat er bijvoorbeeld van uit dat een landbouwlandschap geschikt is om windturbines te plaatsen, maar in realiteit zorgt de nabijheid van woningen, die ook in het landbouwlandschap aanwezig zijn, voor tal van restricties.

Gevalstudies

De kaarten kunnen dan ook niet zomaar toegepast worden als potentiekaarten. Het is belangrijk om in te zoomen op een lager schaalniveau om de reële en technische randvoorwaarden en verwevenheid met ander ruimtegebruik na te gaan. In een tweede oefening hebben de ontwerpers zich hierop toegespitst aan de hand van twee cases: Roeselare en het Albertkanaal. In de uitwerking van de cases wordt meer realisme aan de dag gelegd, maar toch mogen ze niet worden geïnterpreteerd als een gewenst scenario of een na te streven beeld. Ze geven wel duidelijk het belang weer van een kleinschaligere benadering van energielandschappen, waarbij maatwerk en een gebiedsgerichte werking cruciaal zijn. De cases geven aan wat het sturend karakter van een energielandschap zou kunnen zijn, hoe een energielandschap kan worden ingezet om andere ruimtelijke waarden, zoals kernversterking en het vrijwaren van de open ruimte, na te streven.

 

Basis voor verder onderzoek

Deze studie is met andere woorden een eerste oefening, die de impact van het energievraagstuk op het landschap, op onze ruimtelijke ontwikkeling, duidelijk aantoont. De extreme scenario’s illustreren bijvoorbeeld in beide cases de onwenselijkheid van bepaalde landschappelijke evoluties en de nood aan maatregelen die ook het energieverbruik drastisch verminderen, een aspect dat in het kader van deze studie niet aan bod kwam. Er zijn belangen af te wegen en keuzes te maken. Principes van collectiviteit – dichter, collectiever en compacter bouwen, collectief vervoer, het koppelen van verschillende functies – kunnen een leidraad zijn om aan de slag te gaan op concrete plekken. Dat is dan ook de opzet van dit rapport: een aantal eerste inzichten aanreiken om noodzakelijke verdere (ontwerpende) oefeningen, op het terrein én in overleg met alle stakeholders, te voeden.

 

Extra links

De studie is raadpleegbaar op de website van Team Vlaams Bouwmeester.